Zaakwaarneming in belastingprocedure

De Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat partijen zich in een procedure door een gemachtigde kunnen laten vertegenwoordigen. Zaakwaarneming is het zich willens en wetens en op redelijke grond inlaten met de behartiging van de belangen van een ander, zonder de bevoegdheid daartoe aan een rechtshandeling of een in de wet geregelde rechtsverhouding te ontlenen.

De vraag in een procedure was of iemand, die op basis van een machtiging voor een partij beroep heeft ingesteld, na het overlijden van die partij hoger beroep kan instellen voor de erfgenamen terwijl hij niet beschikt over een machtiging van de erfgenamen. Dat zou dan moeten gebeuren op grond van zaakwaarneming.
Voor het belastingrecht kon tot 1 januari 2007 volgens de destijds geldende wetgeving vertegenwoordiging plaatshebben met vergunning van de inspecteur. De wetsbepaling kwam erop neer dat de inspecteur zaakwaarneming kon toestaan als hij ervan overtuigd was dat het belang van de belastingplichtige daardoor werd gediend. Bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat de hiervoor bedoelde bepaling liet vervallen is opgemerkt dat bij de behoefte aan vertegenwoordiging zonder uitdrukkelijke volmacht van de vertegenwoordigde een beroep op zaakwaarneming kon worden gedaan.

Op basis hiervan concludeert de Hoge Raad dat in uitzonderlijke gevallen niet is uitgesloten dat een natuurlijk persoon in een bestuursrechtelijke procedure op grond van zaakwaarneming optreedt als vertegenwoordiger van een partij die handelingsbekwaam is of wordt vermoed te zijn. De zaakwaarnemer zal moeten stellen en aannemelijk maken dat de belanghebbende niet zelf in rechte kan optreden en redelijkerwijs geen vertegenwoordiger heeft kunnen aanwijzen. Indien wordt aanvaard dat een belanghebbende door een zaakwaarnemer wordt vertegenwoordigd, is die belanghebbende gebonden aan de uitspraak in de procedure.

De zaakwaarnemer voerde aan dat volgens het boedelregister enkele erfgenamen de nalatenschap niet hadden aanvaard en dat hem geen verdere erfgenamen bekend waren. Het hof droeg de inspecteur op om onderzoek te doen naar de erfgenamen. Volgens de inspecteur was de nalatenschap verworpen door de ex-vrouw van de erflater namens hun minderjarige kinderen, door de moeder en de zus van de erflater en door de zus van de erflater namens haar minderjarige zoon. In het boedelregister stond geen notaris vermeld die de boedel afhandelde. Niet duidelijk was of de Belastingdienst van de bevoegdheid om een onbeheerde nalatenschap ter afwikkeling bij het Rijksvastgoedbedrijf aan te melden gebruik zou maken. De Hoge Raad vond aannemelijk dat de zaakwaarnemer zich in dit geding op redelijke grond inliet met de behartiging van het belang van de onbekend gebleven erfgenamen.

Deel deze pagina:

Terug naar overzicht