Verzoek 30%-regeling terecht afgewezen

Een uit het buitenland afkomstige werknemer komt op verzoek in aanmerking voor toepassing van de 30%-regeling. Deze regeling houdt in dat 30% van de totale bruto arbeidsvergoeding als onbelaste vergoeding voor de extra kosten van tijdelijk verblijf buiten
het land van herkomst wordt aangemerkt. Het verzoek moet worden gedaan door de werkgever en de werknemer. De looptijd van de regeling is maximaal acht jaar. De looptijd wordt verkort met perioden van eerdere tewerkstelling en eerder verblijf in Nederland.
Perioden van eerdere tewerkstelling en eerder verblijf die meer dan 25 jaar tevoren zijn geëindigd tellen niet mee. Tot 1 januari 2012 was deze zogenaamde toetsingsperiode nog tien jaar. Na beantwoording door het Hof van Justitie EU van enkele vragen heeft
de Hoge Raad in een arrest uit 2016 geoordeeld dat de 30%-regeling en de kortingsregeling wegens eerder verblijf geen vorm van niet toegelaten discriminatie en geen belemmering voor het vrije verkeer van werknemers zijn.

Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad heeft Hof Den Bosch geoordeeld dat toepassing van de 30%-regeling terecht is geweigerd aan een Nederlander die van 1 september 1985 tot 1 april 1993 in Nederland heeft gewerkt en daarna tot 2 oktober 2012
in het buitenland woonde en werkte. De Hoge Raad heeft in het arrest uit 2016 geoordeeld dat de kortingsregeling na verlenging van de toetsingsperiode niet onredelijk is en binnen de aan de wetgever toekomende beoordelingsvrijheid blijft. De staatssecretaris
van Financiën is bij de kortingsregeling uitgegaan van de veronderstelling dat de kosten van tijdelijk verblijf van werknemers die eerder in Nederland hebben gewoond minder hoog zijn dan die van andere uit het buitenland aangetrokken werknemers en dat dergelijke
werknemers gemakkelijker een dienstbetrekking met een Nederlandse werkgever aangaan. Deze veronderstellingen zijn niet onredelijk en gelden volgens de Hoge Raad ook bij een toetsingsperiode van 25 jaar. De werknemer heeft in de procedure voor het hof geen
feiten naar voren gebracht waaruit blijkt dat voor de verlenging van de toetsingsperiode geen objectieve of een redelijke rechtvaardiging is gegeven. Volgens het hof heeft de Belastingdienst het verzoek terecht afgewezen. De Hoge Raad heeft beroep in cassatie
tegen de uitspraak van het hof zonder verdere motivering afgewezen.

Deel deze pagina:

Terug naar overzicht