Parkeren bij attractiepark

Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie EU wordt voor de toepassing van de omzetbelasting iedere prestatie afzonderlijk beschouwd. Wanneer een prestatie uit meerdere elementen bestaat is de vraag of het om één of om meer onderscheiden prestaties
gaat. Er is sprake van één prestatie als de elementen daarvan zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien niet te splitsen zijn of wanneer er een hoofdprestatie is met een of meer aanvullende prestaties die het fiscale lot van de hoofdprestatie
delen. Een prestatie is bijkomend wanneer zij voor de klant geen doel op zich is.

De exploitant van een attractiepark meende dat het bieden van parkeergelegenheid een bijkomende prestatie was bij het verlenen van toegang tot het park. Dat zou betekenen dat ook over de vergoeding voor het parkeren het lage tarief kon worden toegepast in
plaats van het hoge tarief. In een arrest uit 2006 heeft de Hoge Raad het geven van gelegenheid tot parkeren als een aparte dienst aangemerkt. Na die tijd zijn er echter verschillende arresten van het Hof van Justitie EU verschenen over bijkomende prestaties.
Die arresten vormden voor de rechtbank Gelderland aanleiding om het arrest uit 2006 niet zondermeer te volgen, maar om te beoordelen of inderdaad sprake is van een bijkomende prestatie.

Volgens de rechtbank is de mogelijkheid om te parkeren voor de modale bezoeker van het park een doel op zich en geen middel om het bezoek aan het park zo aantrekkelijk mogelijk te maken. De rechtbank betrok het relatief hoge parkeertarief van € 7,50 in die
beoordeling. Het bieden van de gelegenheid tot parkeren is een zelfstandige prestatie en geen bijkomende dienst bij het verlenen van toegang tot het park. Op die zelfstandige prestatie is het algemene omzetbelastingtarief van toepassing.

Deel deze pagina:

Terug naar overzicht