Beantwoording vragen wetsvoorstel ATAD1

De staatssecretaris van Financiën heeft een aanvulling gegeven op de beantwoording van de vragen die zijn gesteld over het wetsvoorstel ter implementatie van de eerste EU-richtlijn tegen belastingontwijking (ATAD1). Het betreft vragen over het gebruik en mogelijkheden tot aanpassing van de substance-eisen in de Nederlandse wet- en regelgeving. Op diverse plaatsen worden eisen gesteld aan de aanwezigheid, activiteiten en omvang van vennootschappen, bijvoorbeeld voor het geven van zekerheid vooraf en bij antimisbruikbepalingen.

Nog deze maand maakt de staatssecretaris zijn plannen voor herziening van de rulingpraktijk openbaar. In de toelichting daarop gaat de staatssecretaris in op de toekomstige substance-eisen die gesteld worden om in aanmerking te komen voor zekerheid vooraf. In de Wet op de Vennootschapsbelasting en de Wet op de Dividendbelasting zijn antimisbruikbepalingen opgenomen. De huidige Nederlandse eisen inzake substance voldoen aan het Europeesrechtelijke criterium voor misbruikbestrijding. De mogelijkheid om de eisen inzake substance te verzwaren wordt beperkt door het EU-recht. Dat stelt als eis dat het gaat om volstrekt kunstmatige constructies.

Op basis van een arrest van het Hof van Justitie EU zal in Nederlandse antimisbruikbepalingen een tegenbewijsregeling worden opgenomen voor gevallen waarin niet wordt voldaan aan de substance-eisen maar geen sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie. Door het opnemen van een tegenbewijsregeling kunnen de substance-eisen worden verhoogd. De staatssecretaris verwacht echter dat het verhogen van de eisen leidt tot meer rechtsonzekerheid. Om die reden is de staatssecretaris zeer terughoudend met het verzwaren van de substance-eisen.

Deel deze pagina:

Terug naar overzicht