Aansprakelijk wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur

De bestuurder van een bv is in beginsel hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting die de bv verschuldigd is. Zodra is gebleken dat een bv de loonbelasting niet kan betalen, is zij op grond van de Invorderingwet verplicht om dat schriftelijk te melden bij de ontvanger. Als de melding van de betalingsonmacht op de juiste wijze heeft plaatsgevonden, is de bestuurder aansprakelijk indien aannemelijk is dat het niet betalen van de belastingschuld het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de drie jaar voorafgaande aan het tijdstip van de melding. De bewijslast voor onbehoorlijk bestuur rust op de ontvanger. Is de betalingsonmacht niet op de juiste wijze gemeld, dan geldt een wettelijk vermoeden van kennelijk onbehoorlijk bestuur vanaf het tijdstip waarop de bv in gebreke is met de betaling. De bestuurder die in deze situatie het wettelijk vermoeden wil weerleggen, dient eerst aannemelijk te maken dat het niet op juiste wijze melden van de betalingsonmacht niet aan hem te wijten is. Van onbehoorlijk bestuur is sprake als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden gehandeld zou hebben als de aansprakelijk gestelde bestuurder heeft gedaan. Dit is onder meer het geval indien de aansprakelijk gestelde bestuurder wist of redelijkerwijze had moeten begrijpen dat door zijn handelwijze belastingschulden van de bv onbetaald zouden blijven en deze handelwijze hem persoonlijk kan worden verweten.

De rechtbank Den Haag was van oordeel dat de betalingsonmacht van een bv te wijten was aan kennelijk onbehoorlijk bestuur. De directeur en indirect aandeelhouder was door de ontvanger aansprakelijk gesteld voor de door de bv van 2014 tot en met 2018 niet betaalde loonbelasting. In een reeks van jaren waren grote bedragen aan de bv onttrokken en via een andere bv ten goede gekomen aan de holding van de bestuurder. De bv betaalde voor de diensten van de bestuurder hoge managementvergoedingen, ondanks dat de bv verliezen leed. Volgens de rechtbank zou geen redelijk denkend bestuurder hebben ingestemd met een dergelijke hoge managementvergoeding en vooral niet met de substantiële onttrekkingen ten gunste van de aandeelhouders.

Volgens de rechtbank was voor alle tijdvakken, waarop de aansprakelijkstelling betrekking had, sprake van onbehoorlijk bestuur in de drie jaren voorafgaande aan de dag waarop de bv de melding van betalingsonmacht had moeten doen. De bestuurder is daarom terecht aansprakelijk gesteld voor de belastingschulden, de onbetaald gebleven boeten en de aan de bv in rekening gebrachte kosten van vervolging.

Deel deze pagina: