Toepassing eigenwoningregeling na echtscheiding

De Wet inkomstenbelasting 2001 (de eigenwoningregeling) omschrijft de eigen woning als het gebouw of een gedeelte daarvan dat de belastingplichtige als hoofdverblijf dient en waarvan hij in ieder geval economisch eigenaar is. De belastingplichtige moet degene zijn die de voordelen uit de woning geniet. De kosten en lasten van de woning moeten op de belastingplichtige drukken en de waardeverandering van de woning moet in ieder geval grotendeels voor diens rekening zijn.

Een procedure voor Hof Den Haag inzake de eigenwoningregeling had betrekking op de vraag of de belanghebbende na haar echtscheiding economisch eigenaar was van de gehele woning en of de gehele hypotheekschuld een eigenwoningschuld was. Niet in geschil was dat de belanghebbende in ieder geval voor de helft economisch en juridisch eigenaar van de woning was. Voor dat deel kwalificeerde de hypotheekschuld als eigenwoningschuld. Dat betekende dat de daarover betaalde rente aftrekbaar was. Volgens de echtscheidingsbeschikking kwamen de waardeverandering en de lasten van de woning vanaf 1 januari 2014 voor rekening van de belanghebbende, tenzij zij de woning per 1 januari 2017 niet zou kunnen overnemen. De inspecteur merkte de “tenzij-bepaling” aan als een opschortende voorwaarde. Volgens de belanghebbende ging het om een ontbindende voorwaarde.

Een opschortende voorwaarde wil zeggen dat de verbintenis pas na het plaatsvinden van de voorwaarde tot stand komt. Door een ontbindende voorwaarde vervalt de verbintenis met het plaatsvinden van de gebeurtenis. Gelet op de tekst van de echtscheidingsbeschikking en de bedoeling van de ex-echtgenoten was volgens het hof sprake van een verbintenis onder ontbindende voorwaarde. Omdat de ontbindende voorwaarde zich niet voor 1 januari 2017 heeft voorgedaan is deze door tijdsverloop vervallen. Dat betekende dat de belanghebbende per 1 januari 2014 het 50%-belang van haar ex-partner in het economisch eigendom van de woning verworven en economisch eigenaar was van de gehele woning. Daarmee kwalificeerde de woning als eigen woning.

Dat had nog niet tot gevolg dat ook alle in het jaar 2016 betaalde hypotheekrente aftrekbaar was. De gehele schuld was aflossingsvrij. Met ingang van 2013 geldt voor aftrekbaarheid van betaalde hypotheekrente dat de schuld in maximaal 30 jaar wordt afgelost. Deze aflossingseis geldt niet voor op 1 januari 2013 bestaande eigenwoningschulden.

Met de overname van het belang van de ex-partner op 1 januari 2014 nam de belanghebbende ook diens aandeel in de hypotheekschuld over. Voor haar vormde dit een nieuwe schuld. Omdat deze schuld na 1 januari 2013 is ontstaan, moet aan de aflossingseis worden voldaan om de schuld als een eigenwoningschuld aan te kunnen merken. Aan die eis was niet voldaan. Voor dat deel van de totale had de belanghebbende geen recht op aftrek van betaalde rente. Het niet als eigenwoningschuld kwalificerende deel van de schuld viel in box 3.

Deel deze pagina: