Prejudiciële vragen toepassing renteaftrekbeperking in internationaal verband

De Wet op de Vennootschapsbelasting regelt in een aantal gevallende de renteaftrekbeperking. Bijvoorbeeld bij rente op een lening van een verbonden vennootschap die wordt gebruikt voor de storting van kapitaal in een andere verbonden vennootschap.

Over de toepassing van deze regeling heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen voorgelegd aan het Hof van Justitie EU. De procedure voor de Hoge Raad had betrekking op de vraag of de renteaftrekbeperking in strijd is met bepalingen uit het verdrag betreffende de werking van de EU. In dat kader is van belang dat de renteaftrekbeperking niet van toepassing zou zijn geweest wanneer er een fiscale eenheid had bestaan tussen de vennootschap die de rente moet betalen en de dochtervennootschap waarin zij kapitaal heeft gestort. Door de consolidatie van het vermogen van de dochtermaatschappij met het vermogen van de moedermaatschappij is geen sprake van een geldlening die verband houdt met een kapitaalstorting. Omdat vorming van een fiscale eenheid niet mogelijk is als de dochtervennootschap in het buitenland is gevestigd, kan sprake zijn van een schending van het Europese recht.

In een eerder arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de renteaftrekbeperking binnen de door het Hof van Justitie gestelde grenzen voor een wettelijke bepaling die de vrijheid van vestiging beperkt blijft. De bepaling is ook niet in strijd met het Europese evenredigheidsbeginsel. In enkele andere arresten heeft de Hoge Raad het belastingplichtigen niet toegestaan om, met een beroep op de vrijheid van vestiging, naar believen voordelen van afzonderlijke elementen die rechtstreeks samenhangen met het wezen van de fiscale eenheid (de consolidatie) deelachtig te worden. De Hoge Raad heeft in deze arresten de zogenoemde ‘per-elementbenadering’ verworpen.

De Hoge Raad twijfelt nu echter of dat terecht is, gezien enkele in 2015 gewezen arresten van het Hof van Justitie EU. Het Hof van Justitie EU heeft in zijn arresten geoordeeld dat voor andere belastingvoordelen dan de overdracht van verliezen binnen een groep afzonderlijk moet worden beoordeeld of een lidstaat die voordelen kan voorbehouden aan vennootschappen die deel uitmaken van een groep. Het verschil in behandeling (wel of geen toepassing van de renteaftrekbeperking) hangt direct samen met het wel of niet kunnen consolideren binnen een fiscale eenheid. De Hoge Raad wil nu van het Hof van Justitie EU weten of dat in strijd is met het Verdrag betreffende de Werking van de EU.

Deel deze pagina:
Geschreven door