Regeling verdeling heffingsbevoegdheid ontslaguitkering

Volgens Hof Den Bosch wijzigt de regeling die Nederland en Duitsland hebben gesloten over de verdeling van heffingsbevoegdheid over ontslaguitkeringen het bestaande verdrag ter voorkoming van dubbele belasting niet. In ieder geval kan de regeling een dergelijke wijziging niet met terugwerkende kracht aanbrengen. Hof Den Bosch hanteert daarom de praktische richtlijnen die de Hoge Raad over de verdeling van de heffingsbevoegdheid heeft gegeven.

Richtlijnen Hoge Raad
De Hoge Raad heeft in 2004 praktische richtlijnen gegeven voor de toerekening van ontslagvergoedingen bij grensoverschrijdende dienstbetrekkingen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt naar het antwoord op de vraag of de ontslagvergoeding al dan niet ten laste is gekomen van een werkgever in de werkstaat. Als de ontslagvergoeding ten laste van buitenlandse werkgevers is gekomen moet aan iedere staat waarin is gewerkt een deel van de vergoeding worden toegerekend. Dat deel wordt bepaald naar de verhouding van de in die staat genoten arbeidsbeloning tot de totale uit de dienstbetrekking genoten beloning. Deze verhouding wordt bepaald aan de hand van de arbeidsbeloning in het jaar van ontslag en de vier voorafgaande kalenderjaren. Als de ontslagvergoeding niet ten laste is gekomen van een werkgever die in de werkstaat is gevestigd, bestaat er volgens de Hoge Raad geen reden om de ontslagvergoeding toe te rekenen aan het arbeidsverleden in de werkstaat.

Casus
Een inwoner van Nederland werkte voor een in Nederland gevestigde werkgever zowel in Nederland als in enkele andere landen. Met ingang van 2003 werkte hij in Nederland en in Duitsland. In 2007 eindigde de dienstbetrekking en betaalde de werkgever een ontslagvergoeding van € 1,7 miljoen. In de jaren 2003 tot en met 2007 werd 42% van het loon belast in Duitsland en het restant in Nederland. Volgens arresten van de Hoge Raad uit 2004 gold deze verdeling ook voor de ontslagvergoeding, op voorwaarde dat de ontslagvergoeding mede voor rekening kwam van een in Duitsland gevestigde werkgever. Dat was hier het geval. Op basis van deze verdeling werd aftrek elders belast geclaimd. De inspecteur accepteerde deze verdeling niet, maar paste een afwijkende verdeling toe. Die afwijkende verdeling was gebaseerd op een regeling waarin Nederland en Duitsland nadere afspraken hebben vastgelegd over de verdeling van heffingsrechten over ontslagvergoedingen. Die regeling is door de staatssecretaris van Financiën in november 2007 gepubliceerd. Op grond van deze regeling kwam volgens de inspecteur in beginsel het heffingsrecht over de ontslagvergoeding toe aan Nederland. Op basis van de duur van de dienstbetrekking kwam aan Duitsland het heffingsrecht toe voor 9,4% van de ontslagvergoeding. Voor dat gedeelte wilde de inspecteur aftrek elders belast verlenen.

Uitleg Hof Den Bosch
Hof Den Bosch is van oordeel dat de regeling van november 2007 is bedoeld om de door Hoge Raad gegeven richtlijnen ongedaan te maken. Het staat de verdragsstaten vrij om de verdeling van de heffingsbevoegdheid beter te regelen, maar dat moet volgens het hof gedaan worden door het verdrag zelf te wijzigen. Een verdrag of een wijziging van een verdrag behoeft goedkeuring van de Eerste en Tweede Kamer. De regeling is niet ter goedkeuring voorgelegd, waardoor procedurele waarborgen hebben ontbroken.
Voor zover de regeling al zou moeten worden toegepast kan dat niet met terugwerkende kracht. De regeling kan de verdeling van de heffingsbevoegdheden volgens het Verdrag tussen Duitsland en Nederland ten tijde van het belastbare feit niet met terugwerkende kracht wijzigen, aldus het hof.

Deel deze pagina: