Opzettelijk onjuiste aangifte gedaan

In een zogenaamde KB-Luxzaak overwoog Hof Den Bosch dat vaststond dat de belanghebbende op 31 januari 1994 bij de KB-Luxbank een bankrekening had met een saldo van ƒ 167.522. In de aangifte vermogensbelasting 2000 was deze bankrekening niet opgenomen. Het hof verminderde de opgelegde navorderingsaanslag VB 2000 vanwege de anti-cumulatieregeling en vernietigde de opgelegde boete. In cassatie vernietigde de Hoge Raad het oordeel van het hof met betrekking tot de boete. Vervolgens moest Hof Arnhem-Leeuwarden beoordelen of de inspecteur het bewijs voor opzet aan de kant van de belanghebbende heeft geleverd en, zo ja, of de opgelegde boete een passende en geboden sanctie voor het begane vergrijp is.

Hof Arnhem-Leeuwarden stelde voorop dat een aanzienlijk tegoed op een bankrekening niet uit het vermogen pleegt te verdwijnen. De belanghebbende diende daarom met een redelijke verklaring te komen voor het niet opnemen van het tegoed in zijn aangifte vermogensbelasting voor het jaar 2000. Het wel aangegeven vermogen was hoger dan de belastingvrije som. De belanghebbende ontzenuwde het vermoeden niet dat hij een te laag vermogen had aangegeven. Volgens het hof was destijds algemeen bekend dat banktegoeden boven de vrijgestelde bedragen aangegeven moesten worden als privébezitting. Daarom vond het hof aannemelijk dat de belanghebbende het buitenlandse banktegoed bewust niet in zijn aangifte VB 2000 had opgenomen. Omdat het wel aangegeven vermogen hoger was dan de vrijstelling was het aan opzet van de belanghebbende te wijten dat de aanslag aanvankelijk te laag was vastgesteld. Naar het oordeel van het hof was de boete terecht opgelegd.

Een boete van 100% van de nagevorderde belasting was volgens het hof in beginsel op zijn plaats. De nagevorderde belasting was berekend met toepassing van omkering van de bewijslast. Dat was voor de inspecteur aanleiding om de boete te verlagen tot 80% van de nagevorderde belasting. Die boete vond het hof passend en geboden.

Deel deze pagina: