Wetsvoorstel flexibilisering van de AOW

Bij de Tweede Kamer is een wetsvoorstel ingediend tot flexibilisering van de AOW (op een zelf gekozen moment de AOW eerder of later te laten ingaan). Uitgangspunt blijft de wettelijk geregelde AOW-leeftijd. Vervroeging is mogelijk tot maximaal vijf jaar voor de dag waarop iemand de AOW-leeftijd bereikt. Uitstel is mogelijk tot maximaal vijf jaar na die datum. Per jaar dat de uitkering eerder ingaat wordt de netto uitkering met 6,5% verlaagd. De korting van 6,5% wordt vertaald in een op het bruto AOW-bedrag toe te passen kortingspercentage. Dit percentage zal bij AMvB worden vastgelegd. Op die manier kan het kortingspercentage eenvoudig gewijzigd worden als dat nodig is. Tot het bereiken van de AOW-leeftijd wordt degene die zijn uitkering eerder laat ingaan gecompenseerd voor de AOW-premie die hij over zijn AOW-pensioen moet betalen.

Per jaar dat de uitkering later ingaat wordt de bruto AOW-uitkering volgens het voorstel met 6,5% verhoogd. Het percentage van 6,5 zou actuarieel neutraal moeten zijn. Dat betekent dat het totaal aan uitkeringen dat iemand over de rest van zijn leven gerelateerd aan de gemiddelde levensverwachting ontvangt niet verandert, ondanks het vervroegen of uitstellen van de uitkering.

Het wetsvoorstel biedt ook de mogelijkheid om de AOW-uitkering gedeeltelijk op te nemen. Dat kan in stappen van 10%. Het is mogelijk om een gedeeltelijk ingegaan AOW-pensioen te verhogen, ongeacht of de uitkering voor of vanaf de AOW-leeftijd gedeeltelijk is ingegaan. Dit houdt in dat een persoon tussentijds kan besluiten om een volgend deel van het AOW-pensioen in te laten gaan.

Om te voorkomen dat mensen door het vervroegen van de AOW-uitkering een bijstandsuitkering aanvragen wordt aan vervroeging de voorwaarde gesteld dat zij beschikken over voldoende structureel inkomen. Dat kan bestaan uit aanvullend pensioen, lijfrenten of inkomsten uit deeltijdarbeid. Wie ervoor heeft gekozen om de AOW-uitkering uit te stellen tot na de geldende AOW-leeftijd heeft in beginsel geen recht op algemene bijstand. Alleen wanneer bij volledige betaling van de AOW het totale inkomen lager ligt dan het sociaal minimum en het vermogen niet hoger is dan de geldende vrijlating is er recht op bijstand.

Deel deze pagina: