Waarderingsvoorschrift pensioenverplichting

Volgens de Wet IB 2001 en de Wet Vpb 1969 mag leeftijdsterugstelling bij de waardering van een pensioenverplichting alleen worden toegepast om het verschil tussen de gehanteerde overlevingstafel en een meer recente versie te overbruggen. Volgens de rechtbank Noord Holland leidt dit waarderingsvoorschrift tot een onevenwichtige situatie bij de overname van een pensioenverplichting tegen een hogere prijs dan de waardering op de balans van de overdragende partij. De overnemende partij ontvangt een zakelijke prijs, maar de wet dwingt tot een lagere waardering. Gelet op de duidelijke tekst van de wet kon de rechtbank het waarderingsvoorschrift echter niet buiten toepassing laten. In hoger beroep sloot Hof Amsterdam zich bij het oordeel van de rechtbank aan.

De procedure had betrekking op de overdracht van pensioenverplichtingen in 2009 door een dochtermaatschappij aan de moedermaatschappij. Daarbij werd de commerciële overdrachtswaarde bepaald door rekening te houden met een bedrag van € 63.833 wegens leeftijdsterugstelling. De moedermaatschappij nam de pensioenvoorziening op haar balans op voor een bedrag gelijk aan de ontvangen koopsom. De Belastingdienst corrigeerde de waarde van de pensioenvoorziening door het bedrag van de leeftijdsterugstelling in mindering te brengen. Dat bedrag verhoogde de winst van de moedermaatschappij over 2009. Ook de vorming van een transitorische post op de balans voor vooruit ontvangen bedragen stond de rechtbank niet toe, omdat daarmee het waarderingsvoorschrift omzeild zou worden.

Bij de Hoge Raad ligt een procedure die gaat over een vergelijkbare situatie.

Deel deze pagina:

Terug naar overzicht