Voorziening voor verlies dochtermaatschappij

In een arrest uit 2014 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een aanmerkelijkbelanghouder, die zich uit aandeelhoudersbelang hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor een lening aan de vennootschap, een eventueel daaruit voortvloeiend verlies niet ten laste
van het inkomen kan brengen. Voor de beoordeling of vanuit het aandeelhoudersbelang is gehandeld is beslissend of een niet van de winst van de vennootschap afhankelijke vergoeding kan worden bepaald waartegen een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest
eenzelfde aansprakelijkheid te aanvaarden. Hof Den Bosch ziet geen reden om voor de heffing van vennootschapsbelasting anders te oordelen ten aanzien van een moedermaatschappij die zich hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor een lening aan een dochtermaatschappij.

De procedure betrof een moedermaatschappij die zich hoofdelijk medeaansprakelijk stelde voor een krediet van haar dochtermaatschappij van een bank. Dat gebeurde in 2003. De resultaten van de dochtermaatschappij waren van 2001 tot en met 2008 positief. In
2013 ging de dochtermaatschappij failliet. Haar schuld aan de bank bedroeg op dat moment € 156.000. De moedermaatschappij nam vanwege de aansprakelijkheid een voorziening op in haar aangifte vennootschapsbelasting over 2012. De voorziening omvatte ook het
bedrag van door de moedermaatschappij aan de dochtermaatschappij verstrekte leningen van in totaal € 65.000. De inspecteur stond de vorming van de voorziening niet toe.

Het hof was van oordeel dat de inspecteur niet aannemelijk had weten te maken dat een onafhankelijke derde in 2003 niet bereid zou zijn geweest eenzelfde aansprakelijkheid te aanvaarden. De dochtermaatschappij beschikte op dat moment over een solide vermogens-
en liquiditeitspositie. Een onderbouwing voor zijn stelling dat er geen vergoeding kon worden bepaald waartegen een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest deze aansprakelijkheid te aanvaarden had de inspecteur niet. Het risico dat op enig moment na 2003
een waardeloos regresrecht zou kunnen ontstaan is geen onderbouwing. De aansprakelijkstelling gold op het moment van aangaan als zakelijk. Het hof was verder van oordeel dat de aansprakelijkstelling ook niet op een later moment onzakelijk was geworden. De
inspecteur onderbouwde ook dat standpunt niet. Volgens het hof heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat een onafhankelijke derde mogelijkheden zou hebben gehad om aanvullende zekerheden en/of een hogere vergoeding te eisen. De mogelijkheid daartoe
was in 2003 niet overeengekomen tussen moeder en dochter. Het hof stond de vorming van een voorziening ten laste van het resultaat van de moedermaatschappij toe.

Deel deze pagina:

Terug naar overzicht