Toepassing overgangsrecht lijfrenten

Bij de invoering van de Wet IB 2001 is overgangsrecht getroffen voor de behandeling van periodieke uitkeringen, zoals lijfrenten en stamrechten die zijn bedongen voor of op 31 december 2000. Op grond van dat overgangsrecht blijven bepalingen uit de oude Wet IB 1964 (deels) van kracht. Onder meer voor lijfrenten die zijn bedongen bij de inbreng van een onderneming in een bv zijn overgangsbepalingen van toepassing als de lijfrenteovereenkomst vóór 1 januari 2001 tot stand is gekomen.

Casus

De vraag in een procedure bij de Hoge Raad was hoe de belastingheffing moet plaatsvinden als een onder het overgangsrecht vallende lijfrenteovereenkomst wordt overgedragen aan een niet-toegelaten verzekeraar. Die overdracht wordt aangemerkt als een afkoop, waarbij de waarde in het economische verkeer van de lijfrente (betaalde premies en het daarover behaalde rendement tot het tijdstip van de overdracht) als negatieve uitgave voor inkomensvoorzieningen bij het inkomen in box 1 wordt geteld.
De uitkeringen uit de lijfrente na de overdracht aan de niet-toegelaten verzekeraar worden belast volgens de saldomethode van de Wet IB 1964. De waarde in het economische verkeer op het moment van de overdracht geldt voor de toepassing van de saldomethode als premie die niet aftrekbaar was. Pas wanneer het totaal van de uitkeringen dat bedrag overschrijdt worden de uitkeringen belast.

Bij de overdracht van de lijfrente aan een niet-toegelaten verzekeraar is revisierente in rekening gebracht. De revisierente bedraagt 20% van de waarde in het economische verkeer. Volgens de Hoge Raad is de revisierente geen sanctie waarop de bepalingen van het EVRM van toepassing zijn.

Deel deze pagina:

Terug naar overzicht