Te late melding betalingsonmacht

De bestuurder van een rechtspersoon zoals een BV is hoofdelijk aansprakelijk voor door de BV verschuldigde belastingen, waaronder de loon- en omzetbelasting. Wanneer de BV niet in staat is om de verschuldigde belastingen te betalen, moet zij daarvan onverwijld melding maken bij de ontvanger. In de regel moet de melding binnen twee weken na het ontstaan van de betalingsonmacht worden gedaan.

De Belastingdienst verstrekte in 2009 een loonheffingennummer en aangiftebiljetten loonheffingen voor de eerdere tijdvakken. De BV diende aangiften loonheffingen over de tijdvakken mei 2007 tot en met maart 2009 in één keer in, maar betaalde de verschuldigde loonheffingen niet. De Belastingdienst legde naheffingsaanslagen loonheffingen op aan de BV. Een bestuurder van de BV werd aansprakelijk gesteld voor de niet betaalde loonheffingen. De bestuurder bestreed de aansprakelijkstelling. Volgens de bestuurder kan geen meldingsplicht in de aangiftefase ontstaan als de normale betalingstermijn voor de belasting is verstreken. In dat geval hoefde naar zijn mening de betalingsonmacht pas na het opleggen van de naheffingsaanslagen te worden gemeld. Die opvatting is volgens de Hoge Raad niet juist. Ook in dit geval geldt de normale termijn voor de melding van de betalingsonmacht.

De bestuurder beriep zich op door de Belastingdienst opgewekt vertrouwen dat hij moest wachten met melden van de betalingsonmacht. Bij de toekenning van het loonheffingennummer verzocht de Belastingdienst namelijk om met de betaling van ingehouden loonheffingen te wachten tot de naheffingsaanslagen waren opgelegd. De Hoge Raad wees dat betoog af. Uit de stukken bleek niet dat de Belastingdienst aanleiding had gegeven om te veronderstellen dat de melding van een eventuele betalingsonmacht kon of mocht worden uitgesteld. Het verzoek van de Belastingdienst om met de betaling te wachten maakte tijdige melding van de ingetreden betalingsonmacht niet onmogelijk. De bestuurder was ook aansprakelijk gesteld voor de aan de BV opgelegde boete. Volgens Hof Amsterdam was het belopen van de boete aan de bestuurder te wijten. Dat oordeel geeft volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Deel deze pagina:
Geschreven door