Perceel voor aanleg golfbaan geen bouwterrein

Regeling

De levering van onroerende zaken is in beginsel vrijgesteld van omzetbelasting. Van de vrijstelling zijn uitgezonderd de levering van een gebouw als deze plaatsvindt uiterlijk twee jaar na de eerste ingebruikneming en de levering van een bouwterrein. De levering van onroerende zaken is belast met overdrachtsbelasting. Ter voorkoming van cumulatie van beide belastingen kent de Wet op belastingen van rechtsverkeer een samenloopbepaling. Op grond van deze bepaling geldt een vrijstelling van overdrachtsbelasting voor de levering van een onroerende zaak wanneer bij deze levering omzetbelasting betaald moet worden. De vrijstelling van overdrachtsbelasting geldt niet als de onroerende zaak als bedrijfsmiddel is gebruikt en de verkrijger de omzetbelasting in aftrek kan brengen.

Casus

In een langlopende procedure was in geschil of percelen grond, die zijn aangekocht om daarop een golfbaan aan te leggen, kwalificeerden als bouwterreinen. In verband met de aanleg van de golfbaan zijn diverse werkzaamheden verricht, zoals het aanleggen van waterpartijen, het aanbrengen van drainage, het maken van bruggen, de aanleg van een toegangsweg en paden en de bouw van schuilhutten. Later is een aangrenzend perceel aangekocht waarop een clubhuis is gebouwd en een parkeerterrein is aangelegd. Volgens de Belastingdienst waren de percelen geen bouwterreinen en was de vrijstelling van overdrachtsbelasting niet van toepassing.

Hof Den Bosch was van oordeel dat de golfbaan zelfstandig, dat wil zeggen los van het clubhuis, gebruikt kon worden. Om die reden konden de golfbaan en het clubhuis niet als één zaak worden aangemerkt. Ondanks de verrichte werkzaamheden was volgens het hof op de percelen geen sprake van bebouwing. De Hoge Raad heeft eerder in de procedure geoordeeld dat het bewerken van een terrein met natuurlijke materialen en het uitgraven van een terrein om een verdieping aan te brengen of een waterpartij aan te leggen geen bouwwerk laat ontstaan. De aangelegde pomphuizen, bruggen, parkeerplaatsen, toegangswegen, drainagebuizen en andere installaties en voorzieningen waren dienstbaar aan de onbebouwde grond en vormden daarom geen bebouwing. De schuilhutten waren eenvoudig verplaatsbare houten constructies die slechts een klein deel van de percelen besloegen. Volgens het hof waren de percelen niet te kwalificeren als bebouwde grond en evenmin als bijbehorend terrein. De vrijstelling van overdrachtsbelasting op grond van de samenloopbepaling is door de Belastingdienst terecht niet toegepast.

Deel deze pagina:

Terug naar overzicht