Onder overgangsregeling vallende vrijstelling mag niet heringevoerd worden

Het Belgische Grondwettelijk Hof heeft aan het Hof van Justitie EU om een prejudiciële beslissing gevraagd. Het verzoek betreft de vrijstelling van omzetbelasting voor de diensten van advocaten, die België op grond van een overgangsbepaling tot 31 december 2013 heeft toegepast. Per 1 januari 2014 vallen de diensten van advocaten onder het normale btw-tarief van 21%. Belangrijkste vragen zijn of België de vrijstelling weer mag invoeren en of België de vrijstelling in omvang had mogen beperken als zij niet zou zijn afgeschaft.

De overgangsbepaling, die in de Zesde btw-richtlijn was opgenomen, gold oorspronkelijk voor vijf jaar. Ook in de huidige btw-richtlijn is de overgangsregeling nog steeds opgenomen. De overgangsregeling komt erop neer dat de lidstaten bepaalde vrijstellingen van btw mogen handhaven ook al geldt volgens de richtlijn geen vrijstelling voor de betreffende prestaties. De procedure bij het Grondwettelijk Hof over de afschaffing van de vrijstelling berust met name op het betoog dat het recht op toegang tot de rechter wordt beperkt door de tariefsverhoging als gevolg van het vervallen van de vrijstelling.

Volgens de conclusie van de Advocaat-generaal (AG) van het Hof van Justitie EU mag een lidstaat die met toepassing van de overgangsregeling heeft vastgehouden aan een vrijstelling voor bepaalde diensten, deze vrijstelling vervolgens in omvang beperken. Voor zover het Grondwettelijk Hof heeft bedoeld te vragen of het is toegestaan om een onder de overgangsregeling vallende vrijstelling na afschaffing opnieuw, maar dan beperkt in omvang, in te voeren, luidt het antwoord ontkennend. Dat zou namelijk neerkomen op de invoering van een nieuwe vrijstelling waarin de btw-richtlijn niet voorziet. Ook volledige herinvoering van een eenmaal afgeschafte en onder de overgangsregeling vallende vrijstelling is niet toegestaan, aldus de AG.

Het Grondwettelijk Hof heeft de vraag voorgelegd of de diensten die advocaten verrichten in het kader van een nationaal stelsel van rechtsbijstand kunnen worden vrijgesteld als diensten, die nauw samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid, of op grond van een andere bepaling van de btw-richtlijn. De AG beantwoordt ook deze vraag, onder verwijzing naar eerdere rechtspraak van het Hof van Justitie EU, ontkennend.

Deel deze pagina: