Omzetbelasting privégebruik auto

De omzetbelasting die drukt op een auto van de zaak kan als voorbelasting in aftrek worden gebracht. Tot 1 juli 2011 was op grond van het Besluit Uitsluiting Aftrek omzetbelasting 1968 (BUA) geen aftrek van voorbelasting voor het privégebruik van een auto van de zaak mogelijk. Op grond van een besluit van de staatssecretaris van Financiën kon in die periode alle omzetbelasting die betrekking had op de auto in aftrek worden gebracht, waarna voor het niet-zakelijke gebruik van de auto een correctie op de aftrek van voorbelasting moest plaatsvinden. Voor de bepaling van deze aftrekcorrectie kon aansluiting worden gezocht bij de forfaitaire bijtelling voor privégebruik in de loon- en inkomstenbelasting. De aftrekcorrectie bedroeg volgens deze regeling 12% van het bijtellingsbedrag. Per 1 juli 2011 is de wettelijke regeling veranderd. Sindsdien geldt het privégebruik van een auto van de zaak als een dienst onder bezwarende titel. De maatstaf van heffing voor deze dienst is gelijk aan de door de ondernemer voor dat gebruik van de auto gedane uitgaven. In plaats daarvan kan op grond van een goedkeurende regeling van de staatssecretaris voor het privégebruik 2,7% van de catalogusprijs van de auto worden afgedragen. Het vervallen van de oude regeling en de inwerkingtreding van de nieuwe regeling hebben geleid tot diverse juridische procedures tot aan de Hoge Raad toe.

Een van deze procedures betrof een directeur van een bv, die in 2011 geen kilometeradministratie bijhield. Volgens de Hoge Raad heeft het intrekken van de bestaande regeling per 1 juli 2011 niet tot gevolg gehad dat een ondernemer, die tot die datum alle omzetbelasting met betrekking tot de auto in aftrek heeft gebracht, de aftrekcorrectie niet hoefde toe te passen. De Hoge Raad wijst erop dat in het besluit, waarin de nieuwe regeling is opgenomen, is bepaald dat de intrekking van de eerdere regeling geen gevolgen heeft voor de toepassing in het eerste halfjaar van 2011.

Voor de tweede helft van het jaar 2011 gold het volgende. In een arrest van 2012 heeft het Hof van Justitie EU gezegd dat de lidstaten een zekere mate van beoordelingsvrijheid hebben bij de bepaling van het bedrag aan uitgaven voor privégebruik. Binnen deze beoordelingsvrijheid past een forfaitaire berekeningsmethode mits gewaarborgd is dat de uitkomst evenredig is aan de omvang van het privégebruik. De Hoge Raad leidt uit dat arrest af dat de omvang van het privégebruik van een goed, dat ook zakelijk wordt gebruikt, moet berusten op de werkelijke verhouding tussen zakelijk en privégebruik. Als concrete gegevens ontbreken moet de vaststelling van de omvang van het privégebruik plaatsvinden op basis van een redelijke schatting.

Volgens de Hoge Raad heeft de bv recht op terugbetaling van een eventueel teveel voldaan bedrag aan omzetbelasting voor privégebruik. Dat is het geval wanneer het met toepassing van de forfaitaire regeling voldane bedrag aan omzetbelasting hoger is dan het berekende bedrag aan omzetbelasting over de aan het privégebruik toerekenbare uitgaven. In dat kader moet de bv gegevens verstrekken voor de vaststelling van de voor het privégebruik van de auto gedane uitgaven. Omdat de uitspraak van het hof ofwel berust op de onjuiste rechtsopvatting dat de omvang van het privégebruik uitsluitend kan worden vastgesteld aan de hand van een kilometeradministratie ofwel onvoldoende is gemotiveerd, heeft de Hoge Raad de uitspraak vernietigd en de zaak verwezen naar een ander hof. Dat hof moet nader onderzoek doen naar de omvang van het privégebruik van de auto om vast te stellen of er recht op teruggaaf is van een deel van de voldane omzetbelasting.

Deel deze pagina:

Terug naar overzicht