Geen omkering bewijslast bij bescheiden belastingbedrag

Voor de heffing van inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen geldt dat aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast moet worden vastgesteld dat door gebreken in de aangifte de volgens aangifte verschuldigde belasting aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Het bedrag aan belasting dat door deze gebreken in de aangifte niet is geheven moet op zichzelf beschouwd aanzienlijk zijn. De belastingplichtige moet zich ten tijde van het doen van aangifte ervan bewust zijn dat door inhoudelijke gebreken in de aangifte een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde in een procedure dat de niet geheven belasting op zichzelf een bescheiden belastingbedrag was. Het ging om een bedrag aan belasting van € 715. Omdat het niet geheven belastingbedrag niet aanzienlijk was, kon niet gesteld worden dat de belastingplichtige niet de vereiste aangifte had gedaan. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, omdat het feitelijk van aard is, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie van de staatssecretaris van Financiën ongegrond verklaard.

Deel deze pagina:

Terug naar overzicht