Geen laag tarief voor alcohol bij lunch of diner

Voor de heffing van omzetbelasting geldt als uitgangspunt dat iedere prestatie afzonderlijk wordt beoordeeld. Prestaties die economisch als een prestatie worden gezien mogen niet kunstmatig gesplitst worden. Onderling samenhangende prestaties worden als een prestatie aangemerkt als één van de prestaties de hoofdprestatie vormt en de andere als bijkomende prestaties worden gezien. In dat geval geldt voor het totaal van de prestaties het tarief dat voor de hoofdprestatie geldt, ook al zou voor een bijkomende prestatie, als deze afzonderlijk werd verleend, een ander tarief gelden. De Europese btw-richtlijn staat de lidstaten uitdrukkelijk toe om voor restaurantdiensten een uitzondering te hanteren in hun wetgeving door twee tarieven te hanteren en de levering van alcoholhoudende drank uit te sluiten van het verlaagde tarief. Nederland heeft van deze mogelijkheid gebruikt gemaakt.

Casus

Op de verkoop van alcoholhoudende dranken is het algemene, hoge tarief van de omzetbelasting van toepassing. Op de verstrekking van maaltijden in horecagelegenheden is het verlaagde tarief van 6% van toepassing. Een horecaondernemer bepleitte toepassing van het lage tarief op de door hem bij lunches en diners geserveerde alcoholhoudende dranken. Volgens de horecaondernemer ging de verstrekking van alcoholhoudende drank op in de verstrekking van maaltijden als hoofdprestatie. De rechtbank stelde vast dat de regeling in de Nederlandse wet in overeenstemming is met de btw-richtlijn. De rechtbank oordeelde daarom dat het lage tarief niet van toepassing is op de verstrekking van alcoholhoudende drank, ook al vormen restaurantdiensten één dienst, waarbij de verstrekking van maaltijden de hoofdprestatie is. Hof Den Bosch heeft in hoger beroep de beslissing van de rechtbank onderschreven.

Deel deze pagina:

Terug naar overzicht