Geen cassatie hofuitspraak aftrek buitenlandse eigen woning

De staatssecretaris van Financiën heeft het beroep in cassatie tegen een uitspraak van Hof Den Haag ingetrokken. De uitspraak heeft betrekking op de negatieve inkomsten uit een buitenlandse eigen woning. De woningeigenaar had in het woonland geen belastbaar inkomen. Zijn inkomen was afkomstig uit Nederland en Zwitserland in de verhouding 60%:40%. Volgens een arrest van het Hof van Justitie EU moet Nederland in dit geval aftrek van de negatieve inkomsten uit de buitenlandse eigen woning toestaan naar verhouding van het Nederlandse aandeel van het inkomen.

Bij de berekening van de omvang van de aftrek in Nederland heeft Hof Den Haag rekening gehouden met de mate waarin in Zwitserland aanspraak kan worden gemaakt op aftrek van negatieve inkomsten uit eigen woning en of dat recht voldoende vergelijkbaar is met het Nederlandse recht op aftrek. Naar de mening van de staatssecretaris heeft het hof daarmee een onjuist uitgangspunt genomen. Het zou erop neer komen dat wanneer Zwitserland niet of onvoldoende zou voorzien in de mogelijkheid van aftrek, Nederland de negatieve gevolgen moet dragen van de Zwitserse wetgeving.

De staatssecretaris leidt uit het arrest van het Hof van Justitie EU af dat alleen van belang is of de belanghebbende in Zwitserland inkomen heeft ontvangen waarop hij een recht op aftrek geldend zou kunnen maken, ongeacht of Zwitserland een dergelijke aftrekmogelijkheid kent. Het uiteindelijke oordeel dat de omvang van de fiscale tegemoetkoming, die Nederland in dit geval moet toekennen, 60% van de negatieve inkomsten uit eigen woning betreft acht de staatssecretaris juist.
Bij de berekening van de verschuldigde inkomstenbelasting heeft het hof geen progressievoorbehoud toegepast. De staatssecretaris is van mening dat het EU-recht niet verhindert dat, wanneer een buitenlands belastingplichtige recht heeft op een aftrekpost die volgens de nationale wet alleen voor binnenlands belastingplichtigen geldt, zijn Nederlandse inkomen belast wordt naar het tarief dat past bij het wereldinkomen. De toepassing van het EU-recht hoeft een belanghebbende niet in een betere positie te brengen dan een vergelijkbare binnenlands belastingplichtige. Eerder in de procedure is noch bij de Hoge Raad, noch bij het Hof van Justitie EU niet uitdrukkelijk het standpunt ingenomen dat het progressievoorbehoud zou mogen worden toegepast. Dat is voor de staatssecretaris reden om niet op dat punt in cassatie te gaan.

De Wet IB 2001 zal binnenkort gewijzigd worden om deze in overeenstemming te brengen met het EU-recht. Vooruitlopend daarop komt op korte termijn een beleidsbesluit.

Deel deze pagina:

Terug naar overzicht