De Hoge Raad; crisisheffing blijft in stand.

 

De crisisheffing (pseudo-eindheffing hoog loon) kan volgens de Hoge Raad in stand blijven. De Hoge Raad acht de terugwerkende kracht van de regeling niet in strijd met art. 1 Eerste Protocol van het EVRM. Er waren volgens de Hoge Raad namelijk voldoende specifieke en dringende redenen aanwezig om de crisisheffing in te voeren. Dat geldt ook voor de heffing over loon dat werd genoten voordat de regeling en de latere verlenging van de regeling werden aangekondigd. De Hoge Raad verwijst naar de ernst van de begrotingsproblemen en de noodzaak om in verband daarmee te komen tot een eenvoudige, goed uitvoerbare regeling. Deze aspecten vormen een rechtvaardiging voor de crisisheffing en maken dat deze heffing niet in strijd komt met art. 1 Eerste Protocol EVRM.

Behalve op het niveau van de regelgeving is er ook op individueel niveau in dit geval geen sprake van een buitensporige last. De crisisheffing is evenmin discriminerend in de zin van art. 14 EVRM en art. 26 IVBPR. De keuze van de wetgever om (alleen) werkgevers van werknemers met een loon van meer dan € 150.000 te belasten met een extra heffing valt naar het oordeel van de Hoge Raad binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van belanghebbenden op grond van het voorgaande ongegrond.