Conclusie AG in procedure tarief omzetbelasting jachthaven

De verhuur van onroerende zaken is vrijgesteld van omzetbelasting. Er geldt een uitzondering op deze vrijstelling voor de verhuur van lig- en bergplaatsen voor vaartuigen. Op die verhuur is in beginsel het normale, hoge tarief van de omzetbelasting van toepassing. In een procedure die nu bij de Hoge Raad ligt, is de vraag of het lage tarief van de omzetbelasting van toepassing is wanneer het gaat om de verhuur van een ligplaats in een jachthaven met gemeenschappelijke jachthavenfaciliteiten. Dit zou dan moeten kunnen worden aangemerkt als “het geven van gelegenheid tot sportbeoefening” of “het recht gebruik te maken van sportaccommodaties”. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde eerder dat het lage tarief niet van toepassing was. Uit een arrest uit 2016 (Commissie tegen Nederland) van het Hof van Justitie EU kan worden afgeleid dat de verhuur van ligplaatsen in een jachthaven nauw kan samenhangen met de beoefening van de watersport. Het hof vond dit onvoldoende om de conclusie te trekken dat de verhuur van parkeerruimte voor boten kwalificeert als het verlenen van het recht om gebruik te maken van een sportaccommodatie.

De Advocaat-generaal (AG) heeft aan deze procedure een conclusie gewijd. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie EU leidt de AG af dat onder het begrip “recht gebruik te maken van sportaccommodaties” moet worden verstaan “het recht om accommodaties te gebruiken die voor sportbeoefening en lichamelijke opvoeding zijn bestemd, alsmede het gebruik daarvan met dat doel voor ogen”. De terbeschikkingstelling van een ligplaats in een jachthaven met de bijbehorende gemeenschappelijke faciliteiten is volgens de AG een dienst die verband houdt met het gebruik van een accommodatie die nodig is voor de sportbeoefening, voor zover het gaat om een vaartuig dat objectief gezien geschikt is voor de beoefening van sport. De AG geeft de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie gegrond te verklaren.

Deel deze pagina:

Terug naar overzicht