Conclusie A-G in procedure dividendbelasting na zetelverplaatsing

Bij de Hoge Raad ligt een procedure over de belastbaarheid van een dividenduitkering vanuit Nederland aan een Nederlandse vennootschap waarvan de feitelijke leiding kort daarvoor is verplaatst naar Luxemburg. Als de uitkering naar nationaal recht belast is, dan is vervolgens in geschil of belastingheffing wordt verhinderd door de Europese moeder-dochterrichtlijn of de Europeesrechtelijke vrijheid van vestiging. De Advocaat-generaal (A-G) heeft aan deze procedure een conclusie gewijd.

Wettelijke regeling
De Wet op de vennootschapsbelasting bepaalt dat van buitenlandse belastingplichtigen belasting wordt geheven over het belastbare Nederlandse bedrag. Het belastbare Nederlandse bedrag is het in een jaar genoten Nederlandse inkomen, verminderd met te verrekenen verliezen uit Nederlands inkomen. Het Nederlandse inkomen is het gezamenlijke bedrag van de belastbare winst uit een in Nederland gedreven onderneming en het inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap, die geen vrijgestelde beleggingsinstelling is, indien het aanmerkelijk belang wordt gehouden om de heffing van inkomstenbelasting bij een ander te ontgaan en er sprake is van een kunstmatige constructie.

Feiten
De aandelen van de Nederlandse vennootschap, waarover de procedure gaat, worden via vennootschappen in Jersey en Luxemburg gehouden door een inwoner van Zwitserland. In 2010 verkreeg de vennootschap van haar indirecte aandeelhouder aandelen in een in Nederland gevestigde holding waardoor het belang opliep tot 51%. In datzelfde jaar werd de feitelijke leiding van de vennootschap naar Luxemburg verplaatst. In 2012 keerde de holding aan de vennootschap een dividend uit van € 24 miljoen. De vennootschap stortte € 5,3 miljoen in een dochtervennootschap en keerde het restant uit aan haar indirecte aandeelhouder. De Belastingdienst heeft dividendbelasting geheven over het dividend van € 24 miljoen.
Volgens het hof is de heffing van Nederlandse belasting ontgaan, omdat bij rechtstreekse uitkering aan de uiteindelijk gerechtigde 15% belasting zou zijn geheven. De verplaatsing van de feitelijke leiding naar Luxemburg had volgens het hof geen reële betekenis en diende alleen het vermijden van Nederlandse belasting. Het belang van de vennootschap in de holding behoort volgens het hof niet tot het ondernemingsvermogen van de vennootschap. De holding heeft geen houdster- of schakelfunctie in het concern en is geen actieve participatiemaatschappij. Naar het oordeel van het hof gaat het om een volstrekt kunstmatige constructie.

Conclusie
De A-G constateert dat de vennootschap niet enig tegenbewijs heeft geleverd waaruit blijkt dat zij het aanmerkelijk belang in de holding vanuit Luxemburg is gaan houden om een economische activiteit voor onbepaalde tijd uit te oefenen door middel van een duurzame vestiging in Luxemburg en niet vooral met het oog op ontwijking van dividendbelastingheffing. Het hof heeft geoordeeld dat niet aannemelijk was dat de indirecte aandeelhouder bevoegd was om rechtshandelingen namens de vennootschap te verrichten. Op basis van een beoordeling van de door het hof vastgestelde organisatorische, economische en andere relevante omstandigheden komt het hof tot het oordeel dat niet als feitelijk bestuurder van de vennootschap maar als aandeelhouder van het concern als geheel is gehandeld. Dat is geen onbegrijpelijk feitelijk oordeel. Het hof heeft uitgebreid gemotiveerd waarom hij het aanmerkelijk belang in de holding niet beschouwt als ondernemingsvermogen. Die motivering berust op een waardering van feiten en is volgens de A-G niet onbegrijpelijk.

De conclusie van de A-G leidt tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep.

Deel deze pagina:

Terug naar overzicht