Ambtelijk verzuim verhindert navordering maatschappelijk ongebruikelijke terbeschikkingstelling

Vermogensbestanddelen van natuurlijke personen, die niet behoren tot het vermogen van een onderneming, vallen in beginsel in box 3 van de inkomstenbelasting. Er gelden uitzonderingen voor terbeschikkingstelling van vermogensbestanddelen aan een rechtspersoon, waarin de natuurlijke persoon of een met hem verbonden persoon een aanmerkelijk belang heeft, of aan een onderneming van een verbonden persoon. Verbonden personen zijn de partner en minderjarige kinderen van de persoon zelf en van zijn partner. Daarnaast geldt een uitzondering voor maatschappelijk ongebruikelijke terbeschikkingstellingen van vermogensbestanddelen aan meerderjarige familieleden in de rechte lijn, dus aan ouders of kinderen. Dergelijke vermogensbestanddelen vallen in box 1. De opbrengsten van de terbeschikkingstelling, inclusief de winst bij verkoop of aan het einde van de terbeschikkingstelling, zijn progressief belast.

In 2007 kochten drie kinderen landbouwgrond van hun ouders voor € 633.000. De ouders bedongen bij de verkoop het pachtrecht ten behoeve van hun landbouwbedrijf. De pachtovereenkomst kende als einddatum 31 oktober 2019. De jaarlijkse pachtprijs bedroeg € 25.000. De ouders hadden een groot deel van de grond kort daarvoor vrij van pacht gekocht voor € 1.141.500. De kinderen bleven de koopprijs schuldig. Een deel van de koopsom is verrekend met een vordering die de kinderen hadden op hun ouders. In 2009 heeft overleg plaatsgevonden tussen de Belastingdienst en de ouders over aan- en verkoop van de grond. Tijdens dat overleg is het zakelijke karakter van de transactie ter discussie gesteld. Volgens de Belastingdienst was de verkoop aan de kinderen bedoeld om de kinderen te bevoordelen. Uiteindelijk werd een compromis bereikt over de waarde in verpachte staat van de grond en over de hoogte van de te activeren pachtrechten. In 2014 is de pacht voor een deel van de grond op verzoek van de ouders beëindigd. In 2016 is het landbouwbedrijf van de ouders gestaakt en hebben zij afstand gedaan van hun resterende pachtrecht.

Naar aanleiding van de staking van het landbouwbedrijf stelde de Belastingdienst een onderzoek in naar de juistheid van de aangifte van de kinderen op het punt van de kwalificatie van de verpachte grond. De grond was in de aangifte van de kinderen verwerkt in box 3. Volgens de Belastingdienst had de grond in box 1 moeten worden aangegeven omdat sprake was van een ongebruikelijke terbeschikkingstelling. Op basis van dat standpunt legde de Belastingdienst een navorderingsaanslag op over 2014 waarin het voordeel van het beëindigen van de reguliere pacht door de ouders werd belast in box 1.

De rechtbank was van oordeel dat de Belastingdienst de gegevens, die bij het onderzoek naar de grondtransactie in 2009 naar voren waren gekomen, had moeten opnemen in de IB-dossiers van de kinderen. Omdat de grondtransactie en het familieverband bij dat onderzoek uitdrukkelijk aan de orde zijn geweest, had het belang van de grondtransactie voor de heffing van IB van de kinderen duidelijk moeten zijn. In een brief aan de ouders uit 2009 heeft de Belastingdienst zich al op het standpunt gesteld dat het een maatschappelijk ongebruikelijke transactie betrof. Op basis van de gegevens over de grondtransactie had de Belastingdienst moeten onderzoeken waarom in de aangifte over 2014 van de kinderen geen terbeschikkingstellingsresultaat was opgenomen. Door de gegevens van het onderzoek naar de grondtransactie niet in het dossier van de kinderen op te nemen en de aangifte niet aan een nader onderzoek te onderwerpen, heeft de Belastingdienst een ambtelijk verzuim begaan, waardoor navordering niet is toegestaan.

Deel deze pagina: