Navordering in verband met verkoop aanmerkelijk belang

Wanneer op grond van een nieuw feit het vermoeden is ontstaan dat ten onrechte te weinig belasting is geheven, kan de Belastingdienst een navorderingaanslag opleggen. De inspecteur dient aannemelijk te maken dat er sprake is van een nieuw feit.

Waar iemand woont, wordt naar de omstandigheden beoordeeld. Bepalend voor een woonplaats in Nederland is of deze omstandigheden inhouden dat er een duurzame persoonlijke band bestaat tussen de belanghebbende en Nederland. Die duurzame band met Nederland hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land.

In een procedure over een navorderingsaanslag was in geschil of de Belastingdienst beschikte over een nieuw feit. Daarnaast was in geschil wat de woonplaats van de belanghebbende was. 

De navorderingsaanslag betrof de vervreemding van een pakket aanmerkelijkbelangaandelen in het jaar 2011. In 2001 had de Belastingdienst ter zake van deze aandelen een conserverende aanslag inkomstenbelasting opgelegd wegens een fictieve vervreemding als gevolg van de emigratie van de aandeelhouder naar Zwitserland. Voor de conserverende aanslag was uitstel van betaling verleend voor tien jaar.

Nadat de Ontvanger in 2011 op verzoek van de aandeelhouder schriftelijk had bevestigd dat de opgelegde conserverende aanslag inmiddels was kwijtgescholden door het verstrijken van de tienjaarstermijn, verkocht de aandeelhouder het aanmerkelijkbelangpakket. In zijn aangifte IB voor het jaar 2011 verwerkte de aandeelhouder de verkoop van de aandelen niet. De aanslag werd vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte.

De aangifte vennootschapsbelasting 2011 van de bv die de aanmerkelijkbelangaaandelen had gekocht van de aandeelhouder vormde de aanleiding voor het opleggen van de navorderingsaanslag, nadat onderzoek had uitgewezen dat de aandeelhouder in Nederland woonde en niet in Zwitserland. De rechtbank was van oordeel dat de Belastingdienst over het voor navordering vereiste nieuwe feit beschikte.

De Belastingdienst onderbouwde de stelling dat de aandeelhouder in 2011 een duurzame band met Nederland had aan de hand van een overzicht van verblijfsdagen in Nederland en diverse andere landen, waaronder Zwitserland en aan de hand van betalingen met de pinpas van de aandeelhouder. De rechtbank vond de vereiste duurzame band met Nederland voldoende aannemelijk gemaakt om de aandeelhouder als in Nederland belastingplichtig te achten voor het bij verkoop behaalde voordeel uit aanmerkelijk belang. Omdat het ingestelde beroep niet de hoogte van de navorderingsaanslag betrof, was de navorderingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd.

Deel deze pagina: