Vertrouwensbeginsel

Een belastingplichtige kan het in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen aan gedragingen van de Belastingdienst waarin een impliciete goedkeuring van het standpunt van de belastingplichtige valt te onderkennen (het vertrouwensbeginsel). De inspecteur is aan zijn impliciete instemming gebonden totdat hij aan de belastingplichtige kenbaar maakt dat hij zijn standpunt heeft gewijzigd. Deze standpuntwijziging geldt alleen voor de toekomst, waarbij eventueel een overgangstermijn in acht moet worden genomen. Deze regels omtrent vertrouwensbeginsel gelden behoudens bijzondere omstandigheden, zoals wanneer de inspecteur met zijn impliciete standpunt niet van de wet heeft willen afwijken en dit de belastingplichtige bekend was. In een dergelijk geval kan de inspecteur bij de belastingplichtige niet het in rechte te beschermen vertrouwen hebben gewekt dat hij dat standpunt zou blijven innemen nadat was gebleken dat het standpunt niet in overeenstemming met de wet was. De inspecteur mag zijn standpunt dan voor latere jaren zonder waarschuwing wijzigen.

Een handeling van de belastingplichtige kan geen einde maken aan het door de inspecteur opgewekte vertrouwen. Daarvoor is een handeling of een gedraging van de inspecteur nodig.

Deel deze pagina: