Beroep op vertrouwensbeginsel

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in een uitspraak van 29 mei 2019 een stappenplan voor de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel uiteengezet. De Centrale Raad van Beroep heeft in een uitspraak van 31 december 2019 dit stappenplan overgenomen. Het plan omvat de volgende drie stappen. De eerste is de juridische kwalificatie van de uitlating en/of gedraging waarop de betrokkene zich beroept. De tweede stap is het beantwoorden van de vraag of de toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Indien beide vragen bevestigend worden beantwoord en er een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap. Die stap houdt in de beantwoording van de vraag wat de betekenis van het gewekte vertrouwen is bij de uitoefening van de betreffende bevoegdheid.

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moet de betrokkene aannemelijk maken dat een bestuursorgaan toezeggingen of andere uitlatingen heeft gedaan of gedragingen heeft verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden kon en mocht afleiden of en hoe het bestuursorgaan in een concreet geval zijn bevoegdheid zou uitoefenen.

De toezegging, uitlating of gedraging moet aan het bevoegde bestuursorgaan kunnen worden toegerekend. Dat is het geval als de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene, die de uitlating deed of de gedraging verrichtte, de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte.

Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Zwaarder wegende belangen, zoals het algemeen belang of belangen van derden, kunnen daaraan in de weg staan. Bij deze belangenafweging kan een rol spelen of de betrokkene op basis van de gewekte verwachtingen handelingen heeft verricht of nagelaten als gevolg waarvan hij schade heeft geleden of nadeel heeft ondervonden.

Deel deze pagina: