Recht op teruggaaf ingehouden dividendbelasting

De Hoge Raad heeft prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie EU in een zaak over de weigering om ingehouden dividendbelasting terug te geven aan een Duits beleggingsfonds. Aan een fiscale beleggingsinstelling wordt, volgens de Nederlandse regelgeving, ingehouden dividendbelasting onder voorwaarden wel teruggegeven. De fiscale beleggingsinstelling is onderworpen aan vennootschapsbelasting tegen een nultarief.

De beleggingsinstelling moet de winst uiterlijk in de achtste maand na afloop van het boekjaar uitkeren aan de aandeelhouders, onder inhouding van dividendbelasting. Het Duitse beleggingsfonds is vrijgesteld van winstbelasting. De participanten in het fonds worden geacht een theoretisch minimumbedrag aan dividenden te ontvangen. De belastinggrondslag voor de participanten bestaat uit de daadwerkelijk uitgekeerde winst vermeerderd met dat theoretisch minimumbedrag aan dividenden.

Het Hof van Justitie EU heeft geoordeeld dat het niet in strijd is met het vrije kapitaalverkeer om aan een niet-ingezeten beleggingsfonds geen teruggaaf van dividendbelasting te verlenen omdat het fonds niet aantoont dat zijn participanten voldoen aan de gestelde voorwaarden. Het mag echter niet zo zijn dat niet-ingezeten beleggingsfondsen de facto worden benadeeld door die voorwaarden die de nationale regeling aan teruggave stelt.

Het is volgens het Hof van Justitie EU onder voorwaarden wel in strijd met het vrije kapitaalverkeer om aan een niet-ingezeten beleggingsfonds geen teruggaaf van dividendbelasting te verlenen om de reden dat het beleggingsfonds niet voldoet aan de wettelijke uitdelingseis. Die voorwaarden zijn dat in de vestigingsstaat het beleggingsresultaat bij de participanten van dat fonds in de belastingheffing van de lidstaat wordt betrokken als ware de winst uitgekeerd en dat het fonds zich in een vergelijkbare situatie bevindt als een ingezeten fonds dat voor teruggaaf van dividendbelasting in aanmerking komt.

Deel deze pagina: