Geen afwaardering vordering op vennootschap

Een geldlening die een aanmerkelijkbelanghouder verstrekt aan de vennootschap, waarin hij een aanmerkelijk belang heeft, valt onder het regime van de terbeschikkingstellingsregeling in box 1 van de inkomstenbelasting. De baten en lasten die voortvloeien uit de geldlening worden aangemerkt als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden. Een verlies op een dergelijke lening is in beginsel van het inkomen in box 1 aftrekbaar.

Een echtpaar dat in 2012 is geëmigreerd uit Nederland, verstrekte in de jaren 2008 tot en met 2011 een lening aan de vennootschap waarvan zij samen alle aandelen hielden. De vennootschap begon in 2011 met de feitelijke activiteiten. Het echtpaar wilde de lening in 2011 afwaarderen ten laste van het inkomen in box 1. Het argument voor de afwaardering was dat de lening was afgestemd op hogere omzetten en winsten van de vennootschap dan de werkelijk behaalde. De geschatte bedrijfswaarde van de vennootschap op 31 december 2011 zou € 600.000 bedragen. Om die reden zou de vordering moeten worden afgewaardeerd van € 800.000 naar € 600.000. Volgens de rechtbank hebben de aandeelhouders de lagere bedrijfswaarde niet aannemelijk gemaakt. In de overgelegde berekening werd rekening gehouden met de bedrijfsresultaten van volgende jaren. Dat is niet in overeenstemming met goed koopmansgebruik. Feiten en omstandigheden die zich na 31 december 2011 hebben voorgedaan dienen bij de waardering buiten beschouwing te blijven. De vermogenspositie van de vennootschap bood volgens de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor de afwaardering van de vordering.

In hoger beroep volgde Hof Amsterdam het oordeel van de rechtbank.

Deel deze pagina: