Oninbare huurvordering aangemerkt als informeel kapitaal

Voor het antwoord op de vraag of een geldverstrekking door een moedervennootschap aan een dochtervennootschap fiscaal als een geldlening of als informeel kapitaal wordt behandeld, is in beginsel de civielrechtelijke vorm beslissend. Op deze regel zijn drie uitzonderingen:

  1. de schijnlening, waarbij partijen eigenlijk een kapitaalstorting beoogden;
  2. de deelnemerschapslening, waarbij de schuldeiser door de voorwaarden van de lening in zekere mate deel neemt in de onderneming van de schuldenaar; en
  3. de bodemlozeputlening, waarbij aanstonds duidelijk moet zijn geweest dat de lening niet of niet geheel zal kunnen worden terugbetaald.

In een procedure over een aanslag vennootschapsbelasting voerde de belanghebbende aan dat zij, gelet op de slechte solvabiliteit van haar debiteur, voor de schuldig gebleven huur in hetzelfde jaar een voorziening wegens oninbaarheid mocht vormen. Hof Arnhem-Leeuwarden was van oordeel dat de derde uitzondering op de regel zich hier voordeed, omdat de gemachtigde ter zitting verklaarde dat op het moment van het ontstaan van de rekening-courantvordering de schuldig gebleven bedragen oninbaar waren. Dat geldt als een storting van  informeel kapitaal, die was voorafgegaan door een onttrekking aan de winst. De inspecteur heeft volgens het hof terecht de winst van de belanghebbende gecorrigeerd door de voorziening voor de niet ontvangen huur niet te accepteren.

Deel deze pagina: