Hoogte KIA bij investering door maatschap

De rechtbank Gelderland heeft recent een uitspraak gedaan over de toepassing van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) bij een maatschap. De Kia bedraagt bij een investering boven € 2.300 28% van het investeringsbedrag. De KIA loopt op tot een maximum, om daarna op dit maximum te blijven tot een zeker investeringsbedrag en vervolgens af te nemen. Het maximum van de KIA bedroeg € 15.687 in 2016. Boven een investeringsbedrag van € 103.748 in 2016 nam de KIA af met 7,56% van het meerdere investeringsbedrag boven € 103.748. Voor ondernemers in een samenwerkingsverband zoals een maatschap of een vennootschap onder firma worden de investeringen voor het samenwerkingsverband samengeteld.

De maatschap investeerde in 2016 voor een bedrag van € 63.322. Het daarbij behorende bedrag aan Kia was € 15.687. De rechtbank was van oordeel dat beide maten recht hadden op dit bedrag aan KIA. De Belastingdienst meende dat iedere maat recht had op 50% van de Kia, omdat de investeringen van de maatschap ieder voor 50% aangingen.

De rechtbank negeerde een uitspraak van Hof Den Haag in een vergelijkbare zaak, waarin het hof de KIA eerst voor het samenwerkingsverband berekende en dat bedrag verdeelde over de leden van het samenwerkingsverband. Volgens de rechtbank volgt de uitleg van Hof Den Haag niet zonder meer uit de wettekst. De rechtbank verwees naar een later arrest van de Hoge Raad over de KIA in het geval van een vennoot die naast de investeringen van de vof ook nog investeerde in buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen. In dat arrest oordeelde de Hoge Raad dat voor het recht op KIA van de vennoot het totale investeringsbedrag van de vof bij het investeringsbedrag in buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen moest worden geteld. De rechtbank legt het arrest van de Hoge Raad zo uit, dat beide maten recht hebben op de maximale Kia.

Deze uitleg lijkt op een misvatting te berusten. Op grond van zijn investeringen in buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen had de vennoot in het arrest reeds recht op de maximale KIA. Door het totale investeringsbedrag van de vof bij zijn andere investeringsbedrag te tellen, overschreed de vennoot het investeringsbedrag waarbij de KIA afneemt niet. De inspecteur wilde in die zaak desondanks een korting op de KIA toepassen bij de vennoot. Het arrest van de Hoge Raad ziet niet op de situatie waarover de rechtbank diende te oordelen. De rechtbank is zich ervan bewust dat haar opvatting leidt tot een hogere KIA dan wanneer als eenmanszaak zou worden geïnvesteerd, maar is van oordeel dat de wetgever dit had moeten regelen als die uitkomst niet is bedoeld.

Deel deze pagina: