Berekening premiedeel heffingskorting bij emigratie

In een procedure voor Hof Den Bosch was in geschil op welke wijze het premie-inkomen moet worden vastgesteld van iemand die slechts een deel van het jaar premieplichtig was voor de volksverzekeringen in Nederland. Verder was in geschil de berekening van het premiedeel van de heffingskorting in de inkomstenbelasting.

Het premie-inkomen voor het jaar van emigratie naar de VS was door de inspecteur vastgesteld op hetzelfde bedrag als het belastbare inkomen uit werk en woning. Het premiedeel van de heffingskorting heeft de inspecteur tijdsevenredig, namelijk van 1 januari tot de datum van emigratie, toegekend.

Het hof overwoog dat de hoofdregel voor de berekening van het premie-inkomen voor de premies volksverzekeringen is vastgelegd in de Wet financiering sociale verzekeringen. Daarin staat dat onder het premie-inkomen wordt verstaan het belastbare inkomen uit werk en woning, bepaald volgens de regels van de Wet inkomstenbelasting 2001. Voor iemand die een gedeelte van een kalenderjaar niet premieplichtig is, wordt het premie-inkomen verminderd met het gedeelte daarvan waarop de wetgeving van een ander land van toepassing is. In deze casus wist de belanghebbende niet aannemelijk te maken dat voor een gedeelte van het premie-inkomen premieplicht in de VS bestond. Dat betekende dat het premie-inkomen gelijk was aan het belastbare inkomen in box 1.

Ten aanzien van het premiedeel van de heffingskorting verwees het hof naar een arrest van de Hoge Raad uit 2019. Daarin is in een vergelijkbare zaak beslist dat de belastingplichtige alleen aanspraak heeft op een aan de periode van verzekering in Nederland evenredig gedeelte van het premiedeel van de heffingskorting. De inspecteur was in zijn berekening uitgegaan van een latere emigratiedatum dan de feitelijke vertrekdatum. Daardoor was het premiedeel van de heffingskortingen iets hoger uitgevallen dan waarop de belanghebbende recht had.

Deel deze pagina: