Afspraken over acceptatie bron van inkomen

De Belastingdienst sloot met een duikinstructeur, die zelfstandig duikactiviteiten verrichtte sinds 2005, een vaststellingsovereenkomst. De vaststellingsovereenkomst betrof de voorwaardelijke acceptatie van de duikactiviteiten als bron van inkomen tot en met in ieder geval 2014. De voorwaarden waren een stijgende lijn in de resultaten en een positief resultaat voor 2015 voor toepassing van de ondernemersaftrek. Tot en met het jaar 2009 hadden de activiteiten niet tot positieve resultaten geleid. Voor het geval niet aan de voorwaarden zou zijn voldaan ging de duikinstructeur akkoord met navorderingsaanslagen over de jaren 2009 tot en met 2014.

Omdat de duikinstructeur ook in 2015 geen positief resultaat behaalde met zijn activiteiten, legde de Belastingdienst navorderingsaanslagen op over de jaren 2009 tot en met 2014. De navorderingsaanslagen 2009 en 2010 waren na het verstrijken van de navorderingstermijn opgelegd. De duikinstructeur bestreed de navorderingsaanslagen. In de procedure stelde hij zich op het standpunt dat de vaststellingsovereenkomst nietig of vernietigbaar was wegens strijd met dwingendrechtelijke bepalingen. Volgens Hof Den Haag kan een vaststellingsovereenkomst, die bepalingen bevat die in strijd zijn met wettelijke bepalingen, rechtsgeldig zijn. Dat is anders als de overeenkomst zozeer in strijd is met de wet, dat op nakoming daarvan niet mocht worden gerekend.

De bewust van de wet afwijkende afspraken omtrent de navorderingstermijn en het daarvoor vereiste nieuwe feit zijn naar het oordeel van het hof logisch in het licht van de over de bronvraag gemaakte afspraak. In de overeenkomst was ook een bepaling opgenomen over de afstand van rechtsmiddelen. Een dergelijke bepaling is inherent aan een vaststellingsovereenkomst, waarmee immers wordt beoogd een eind te maken aan tussen partijen bestaande onzekerheid of een tussen hen gerezen geschil. Deze drie afwijkingen zijn volgens het hof onvoldoende om te kunnen oordelen dat de vaststellingsovereenkomst zozeer in strijd met de wet is dat de inspecteur niet op nakoming van de overeenkomst mocht rekenen.

Het hof was van oordeel dat de inspecteur terecht de duikactiviteiten voor de jaren 2009 tot en met 2014 niet als bron van inkomen heeft aanvaard.

Deel deze pagina: