Winstuitdeling door oplopende schuld

In 2005 sloten de Belastingdienst en een dga een vaststellingsovereenkomst over diens schulden aan zijn bv. Volgens de aangifte vennootschapsbelasting 2001 had de dga aan het einde van dat jaar een schuld van € 2,7 miljoen aan de bv. De vaststellingsovereenkomst bevatte de afspraak dat de dga in een periode van vijf jaar zou zorgen voor voldoende aanvullende zekerheden of over zou gaan tot aflossing, bijvoorbeeld uit dividenduitkeringen van de bv. Wanneer de dga zich niet aan de afspraken zou houden, zou de Belastingdienst de schuld als winstuitdeling aanmerken.

Bij de behandeling van de aangifte vennootschapsbelasting 2008 bleek dat de dga zich niet aan de vaststellingsovereenkomst had gehouden. Er volgde een discussie tussen de dga en de Belastingdienst over dit onderwerp. In de tussentijd werden de aanslag IB 2008 en 2009 van de dga opgelegd, zonder dat daarin rekening werd gehouden met een winstuitdeling. Enige tijd later legde de Belastingdienst navorderingsaanslagen IB 2008 en 2009 op, waarin de toename van de schuld als winstuitdeling werd aangemerkt.

Hof Arnhem-Leeuwarden is van oordeel dat beide partijen aan de vaststellingsovereenkomst zijn gebonden. Niet is gebleken dat de overeenkomst nietig is of door een van de partijen is vernietigd. Volgens het hof was de Belastingdienst niet verplicht om direct na het verstrijken van de vijfjaarsperiode een winstuitdeling in aanmerking te nemen voor zover op dat moment sprake was van een restantschuld. De overeenkomst verhinderde niet dat de Belastingdienst vanaf 2008 slechts de jaarlijkse toename van de schuld als winstuitdeling aanmerkte in plaats van de gehele schuld.

Deel deze pagina: