Te vroege aansprakelijkstelling

Bij de Hoge Raad is een procedure aanhangig over de aansprakelijkheid van een voormalige aandeelhouder voor de vennootschapsbelasting van de vennootschap waarvan hij de aandelen heeft verkocht. De vraag is of een aansprakelijkstelling te vroeg kan plaatsvinden en wat daarvan de gevolgen zijn. De aansprakelijkstelling betrof een navorderingsaanslag die was opgelegd aan een bv die ten tijde van het opleggen al was ontbonden.

Aansprakelijkstelling geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking. Dat mag pas gebeuren als de belastingschuldige in gebreke is met de betaling van zijn belastingschuld. De belastingschuldige is in gebreke als hij zijn belastingschuld niet binnen de betalingstermijn heeft betaald. Een belastingaanslag is in beginsel invorderbaar zes weken na dagtekening van het aanslagbiljet. In afwijking hiervan is een navorderingsaanslag al invorderbaar één maand na dagtekening van het aanslagbiljet.

De navorderingaanslag in deze procedure is gedagtekend op 18 mei 2013. De betaaltermijn liep tot 18 juni 2013. Dat betekent dat pas vanaf 18 juni 2013 kon worden ingevorderd. De aansprakelijkstelling van de verkopende aandeelhouder vond plaats bij beschikking van 6 juni 2013.

De AG merkt in zijn conclusie op dat termijnen in het (fiscale) bestuursrecht zogenaamde fatale termijnen zijn. Het niet in acht nemen daarvan heeft juridische gevolgen. Volgens de AG is de voor aansprakelijkstelling c.q. invorderbaarheid van een belastingaanslag gehanteerde termijnomschrijving formeel van aard, waardoor er voor de rechter geen rol is weggelegd met materiële invulling of aanvulling. De AG merkt verder op dat voor het antwoord op de vraag of een belastingschuldige in gebreke is, irrelevant is of de schuld al dan niet op hem zal kunnen worden verhaald. De conclusie van de AG is dat de aansprakelijkstelling voor de navorderingsaanslag moet vervallen.

Deel deze pagina: