Aansprakelijkheid verkopende aandeelhouder

Een aandeelhouder, die (een deel van) zijn belang in een vennootschap verkoopt, kan aansprakelijk worden gesteld voor de vennootschapsbelasting die de verkochte vennootschap verschuldigd is aan het einde van het jaar waarin de vervreemding plaatsvindt en de vennootschapsbelasting die verschuldigd wordt over de drie jaren daarna. De verkopende aandeelhouder moet daarvoor een belang hebben gehad van ten minste één derde gedeelte van het geplaatste kapitaal. De bezittingen van de verkochte vennootschap moeten voor 30% of meer bestaan uit beleggingen en/of liquide middelen. De door de verkochte vennootschap verschuldigde belasting moet betrekking hebben op ten tijde van de verkoop aanwezige stille en fiscale reserves. Voor aansprakelijkheid is verder vereist dat het vermogen van de vennootschap door andere oorzaken dan de normale bedrijfsvoering is verminderd in de periode van vijf jaar voor tot drie jaar na het jaar van de vervreemding.

De verkopende aandeelhouder is niet aansprakelijk als er zekerheid is gesteld voor de verschuldigde vennootschapsbelasting. Evenmin aansprakelijk is de verkopende aandeelhouder die erin slaagt te bewijzen dat het niet aan hem is te wijten dat de vennootschap te weinig vermogen heeft om de vennootschapsbelasting te betalen.

De Hoge Raad heeft in arresten uit 2014 en 2015 geoordeeld dat, als het vermogen van de verkochte vennootschap ten tijde van de verkoop voldoende was, het de verkopende aandeelhouder is aan te rekenen als hij op dat moment wist dat de koper door buiten de normale bedrijfsvoering liggende handelingen de verhaalsmogelijkheden van de ontvanger illusoir zou maken. Ook in de situatie waarin al bij de verkoop van de aandelen het vermogen van de bv ontoereikend was om de over een gevormde herinvesteringsreserve verschuldigde vennootschapsbelasting te voldoen als gevolg van een dividenduitkering kort voor de verkoop kan de verkopende aandeelhouder een beroep doen op de in de wet opgenomen disculpatiemogelijkheid. De aansprakelijkgestelde aandeelhouder zal dan moeten bewijzen dat het ontoereikende vermogen hem niet kan worden aangerekend. Deze aandeelhouder kan zich volgens de Hoge Raad niet disculperen met de stelling dat hij erop mocht vertrouwen dat als gevolg van handelingen van de koper of van een derde de vennootschapsbelasting nihil zou bedragen.

De Hoge Raad heeft een andersluidende uitspraak van Hof Den Bosch vernietigd. Het hof was van oordeel dat een aansprakelijkgestelde aandeelhouder zich wel kon disculperen omdat hij ervan mocht uitgaan dat door handelingen van de koper tegenover de winst door de vrijgevallen herinvesteringsreserve een aftrekbare afwaardering van een vordering zou komen te staan.

Deel deze pagina: