Pensioenstichting gelieerd aan bv

Een lening tussen gelieerde partijen is onzakelijk wanneer daarmee een debiteurenrisico wordt gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben aanvaard. Wanneer een lening als onzakelijk wordt bestempeld, komt een eventuele afwaardering fiscaal niet ten laste van de winst.

Een pensioenstichting stelde zich op het standpunt dat zij niet gelieerd was aan de bv van welke zij de pensioenverplichting had overgenomen. De bv had de verplichting overgedragen tegen een grotendeels schuldig gebleven koopsom. In navolging van de rechtbank verwierp Hof Amsterdam dit standpunt. De stichting was opgericht door de dga van de bv. De dga was ook een van de bestuurders van de stichting en als pensioengerechtigde belanghebbende bij het vermogen van de stichting. Onder deze omstandigheden is volgens het hof denkbaar dat een door de stichting geleden debiteurenverlies niet zijn oorzaak vindt in de door haar gedreven onderneming, maar in de onderlinge, persoonlijke betrekkingen.

Vervolgens beoordeelde het hof de (on)zakelijkheid van de lening. In het jaar van de overname van de pensioenverplichting was het resultaat van de bv ruim € 3,5 miljoen negatief. Ook het eigen vermogen van de bv was fors negatief. In de jaarrekening was dat verbloemd door in 2009 een herwaarderingswinst te nemen die betrekking had op de verkoop van een deelneming in 2011. Op 31 december 2009 was niet te voorzien dat die verkoop zou plaatsvinden. Daarom moest de herwaarderingswinst uit het eigen vermogen per ultimo 2009 worden geëlimineerd. Rekening houdend met het verschil tussen de overdrachtswaarde van de pensioenverplichting en de op de balans per 31 december 2008 opgenomen pensioenvoorziening was het eigen vermogen van de bv ook per ultimo 2008 negatief.

Overigens was naar het oordeel van het hof de prijs waarvoor de deelneming in 2011 werd verkocht ook niet zakelijk. De deelneming werd voor € 8 miljoen aan een gelieerde vennootschap overgedragen. Korte tijd later werd de deelneming doorverkocht aan een derde voor € 1. Een verklaring voor de waardedaling ontbrak. Het hof achtte niet aannemelijk dat de waardedaling zich pas na de verkoop van de deelneming aan de gelieerde vennootschap zou hebben voorgedaan. Omdat niet bekend was wat een zakelijke prijs zou zijn geweest, had de bedongen prijs geen betekenis voor de vaststelling van de leencapaciteit van de bv.

Het hof was van oordeel dat de bv ten tijde van het verstrekken van de lening door de stichting niet solvabel was. Door zonder enige vorm van zekerheid een lening te verstrekken heeft de stichting een debiteurenrisico op zich genomen dat een derde niet zou hebben aanvaard. De afwaardering van de lening door de stichting kwam niet ten laste van haar fiscale winst.

Deel deze pagina: