Terbeschikkingstelling van vermogen

Tot het belastbare inkomen in box 1 van de inkomstenbelasting behoort het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden. Dat is het gezamenlijke bedrag van het resultaat uit een of meer werkzaamheden, die geen belastbare winst of belastbaar loon genereren, verminderd met de terbeschikkingstellingsvrijstelling. Onder werkzaamheid wordt verstaan het rendabel maken van vermogensbestanddelen door deze ter beschikking te stellen aan een vennootschap waarin een belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft. Het hebben van een vordering op een dergelijke vennootschap wordt met terbeschikkingstelling van vermogensbestanddelen gelijkgesteld.

Eventuele verliezen op een lening aan een vennootschap waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft zijn onderdeel van het resultaat uit overige werkzaamheden. Dergelijke verliezen zijn niet aftrekbaar als de lening onzakelijk is. Dat doet zich voor wanneer met de lening een debiteurenrisico wordt aanvaard dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen. De bewijslast voor onzakelijkheid van een lening ligt bij de Belastingdienst.

Een aanmerkelijkbelanghouder wilde in de jaren 2012 en 2013 door hem aan de vennootschap verstrekte leningen afwaarderen ten laste van zijn inkomen in box 1. In totaal had hij volgens zijn berekening een bedrag van € 240.300 aan de vennootschap geleend. Van dat bedrag wilde hij in 2012 € 138.852 en in 2013 € 62.500 afwaarderen. Die afwaardering had betrekking op een storting van € 150.000 bij oprichting van de vennootschap en op een aantal bedragen die in de jaren 2005 tot en met 2007 waren verstrekt.

Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden slaagde de aanmerkelijkbelanghouder er niet in om de omvang van de terbeschikkingstelling aannemelijk te maken. Met name van de initiële storting van € 150.000 ontbrak het bewijs. Omdat de in aanmerking te nemen afwaarderingen van de vordering in 2012 en 2013 in chronologische volgorde van ontstaan zou plaatsvinden, had de geclaimde afwaardering in 2012 betrekking op een deel van de initiële storting. Vanwege het ontbreken van bewijs voor deze storting kwam de aanmerkelijkbelanghouder aan afwaardering in 2012 niet toe. De aftrek over het jaar 2013 was beperkt tot de in de jaren 2005 tot en met 2007 verstrekte bedragen. In totaal ging het om een bedrag van € 51.352. Naar het oordeel van het hof slaagde de inspecteur er niet in te bewijzen dat de lening onzakelijk was.

Deel deze pagina: