Geen ruimere toepassing paraplukredietarrest

Een geldlening of een borgstelling tussen gelieerde vennootschappen is onzakelijk wanneer de transactie voortvloeit uit aandeelhoudersbelangen. Voor de beantwoording van de vraag of een transactie moet worden aangemerkt als een handelen van een aandeelhouder als zodanig, is dooslaggevend of een niet van de winst afhankelijke vergoeding kan worden bepaald waartegen een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde transactie aan te gaan.

In een overeenkomst uit 2003 met de bank heeft een moedermaatschappij hoofdelijke aansprakelijkheid aanvaard voor de lening van haar dochtermaatschappij. Tussen moeder- en dochtervennootschap is geen overeenkomst gesloten waarin de gevolgen van de aansprakelijkheid zijn geregeld. In 2013 werd de dochtervennootschap failliet verklaard. De moedermaatschappij heeft in haar aangifte vennootschapsbelasting over 2012 een voorziening opgenomen in verband met de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de schuld van de dochter aan de bank. Hof Den Bosch was van oordeel dat de moedermaatschappij deze voorziening ten laste van haar winst mocht brengen. Het hof verwees in zijn oordeel naar een arrest van de Hoge Raad uit 2014 in een vergelijkbare situatie. Volgens het hof heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de moedermaatschappij onzakelijk had gehandeld door de hoofdelijke aansprakelijkheid te aanvaarden.

In cassatie deed de staatssecretaris van Financiën ter onderbouwing van de onzakelijkheid van de transactie een beroep op het zogenaamde paraplukredietarrest van de Hoge Raad uit 2013. In dat arrest zijn drie cumulatieve voorwaarden gesteld waaronder uitgaven van een vennootschap in verband met hoofdelijke aansprakelijkheid voor schulden van een gelieerde vennootschap niet ten laste van de winst kunnen komen. Die voorwaarden zijn:

  1. een vennootschap neemt deel aan een kredietarrangement van het concern waartoe de vennootschap behoort;
  2. de vennootschap is hoofdelijk aansprakelijk voor alle vorderingen van de bank uit hoofde van het kredietarrangement op de andere vennootschappen van het concern; en
  3. de vennootschap eist een regresvordering uit de aansprakelijkheid niet op voordat de gehele schuld aan de bank is voldaan.

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een ruimere toepassing van het paraplukredietarrest in gevallen waarin niet aan alle voorwaarden is voldaan. Het beroep in cassatie is ongegrond verklaard.

Deel deze pagina: