Geen fiscale eenheid voor dochters Israëlische moeder

Een moedermaatschappij en haar dochtermaatschappijen kunnen onder voorwaarden een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting vormen. De regeling houdt in dat de werkzaamheden en de vermogens van de dochtermaatschappijen worden opgenomen in de werkzaamheden en het vermogen van de moedermaatschappij. De belasting wordt geheven van de moedermaatschappij.

Drie Nederlandse vennootschappen waarvan de aandelen werden gehouden door in Israël gevestigde vennootschappen wilden in Nederland een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting vormen, voor zover nodig met de Israëlische aandeelhouders. De inspecteur heeft het verzoek bij beschikking afgewezen.

Hof Arnhem-Leeuwarden was van oordeel dat de Nederlandse vennootschappen wel een fiscale eenheid konden vormen, ook al was niet voldaan aan de in de wet gestelde voorwaarden voor een fiscale eenheid. Volgens het hof moest op grond van het discriminatieverbod in het belastingverdrag met Israël een fiscale eenheid worden toegestaan. Het hof vergeleek de situatie van de Nederlandse vennootschappen met een in Israël gevestigde moedermaatschappij met de situatie van in Nederland gevestigde dochtermaatschappijen van een in Nederland gevestigde moedermaatschappij. In die laatste situatie is een fiscale eenheid tussen alle betrokken vennootschappen mogelijk. Het hof vond dat daarmee een verschil in behandeling werd gemaakt. Dat in een puur Nederlandse situatie de gezamenlijke moedermaatschappij verplicht deel uitmaakt van de fiscale eenheid is volgens het hof geen rechtvaardiging voor het verschil in behandeling.

Volgens de Hoge Raad heeft het hof ten onrechte de vergelijking gemaakt met Nederlandse vennootschappen die met hun in Nederland gevestigde moedermaatschappen een fiscale eenheid kunnen vormen. De vergelijking had moeten worden gemaakt met Nederlandse vennootschappen die zonder hun in Nederland gevestigde moedermaatschappij een fiscale eenheid willen vormen. In die situatie biedt de wet de Nederlandse vennootschappen niet de mogelijkheid om een fiscale eenheid aan te gaan. Dat de inspecteur de Nederlandse belanghebbenden niet heeft toegestaan om zonder hun in Israël gevestigde moedermaatschappij een fiscale eenheid te vormen is daarom geen door het verdrag verboden discriminatie.

Deel deze pagina: