Inbreng met gedeeltelijk voorbehoud van stille reserves

Theoretisch uitgangspunt

Het is mogelijk om een nieuwe vennoot bij diens toetreding niet te laten delen in de op dat moment in de vennootschap aanwezige stille reserves. De stille reserve van bedrijfsmiddelen is gelijk aan het verschil tussen de waarde in het economisch verkeer en de fiscale boekwaarde van de bedrijfsmiddelen. In een procedure voor de rechtbank Noord-Nederland was de hoogte van de voorbehouden stille reserves c.q. de hoogte van het bij inbreng gerealiseerde deel van de meerwaarde van ingebrachte grond in geschil.

Casus

Bij de inbreng van de economische eigendom in een vennootschap werden gebouwen en de grond onder en bij de gebouwen afzonderlijk in aanmerking genomen. De gebouwen werden ingebracht tegen de fiscale boekwaarde van de inbrenger. De stille reserves werden tot maximaal het verschil tussen de waarde in het economisch verkeer en de fiscale boekwaarde ten tijde van de inbreng voorbehouden. De inbrengwaarde van de grond werd gesteld op de fiscale boekwaarde plus het gedeelte van de stille reserves dat bij winstrealisatie op het inbrengtijdstip zou zijn vrijgesteld door de landbouwvrijstelling. Bij de aankoop van de grond was een destijds bestaande vervangingsreserve afgeboekt op de aanschafprijs. Dat gedeelte van de waarde zou bij winstrealisatie op het inbrengtijdstip niet onder de landbouwvrijstelling vallen, omdat dit niet samenhing met de waardeverandering van de grond als zodanig. Daarom werd dat gedeelte van de stille reserves voorbehouden. De rechtbank was van oordeel dat deze wijze van waardering en voorbehoud van stille reserves was toegestaan.

De staatssecretaris van Financiën was het niet eens met het oordeel van de rechtbank en heeft beroep in cassatie aangetekend. De Hoge Raad heeft in een arrest uit 2014 geoordeeld dat, bij de inbreng in een transparante personenvennootschap van een activum voor een hogere waarde dan de fiscale boekwaarde, de inbrenger de voorbehouden stille reserve als winst in aanmerking mag (en niet moet) nemen. Volgens de Hoge Raad geldt bij de realisering van een deel van de stille reserve dat een vrijstelling zoals de landbouwvrijstelling naar evenredigheid van toepassing is. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om de realisatie van een deel van de stille reserve bij voorrang toe te rekenen aan het aan de afboeking van een vervangingsreserve toe te schrijven gedeelte van de boekwinst of aan het door waardevermeerdering van de grond veroorzaakte gedeelte van die boekwinst. De beperking van de waardering bij inbreng op de boekwaarde plus het deel van de meerwaarde, dat onder de landbouwvrijstelling zou vallen, heeft alleen gevolg voor de bepaling van de inbrengwaarde. Voor de toepassing van de landbouwvrijstelling is deze beperking niet van belang. Herwaardering van de grond is in dit geval niet in strijd met goed koopmansgebruik omdat de inbrengwaarde waarop de herwaardering is gebaseerd van belang is voor de vennootschappelijke verhoudingen. In zoverre is het oordeel van de rechtbank niet juist.

Wel juist is het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de splitsing van de waardering van grond en gebouwen. De Hoge Raad wijst de opvatting van de staatssecretaris dat het voorbehoud van stille reserves op de ondergrond naar evenredigheid aan de opstal en de ondergrond moet worden toegerekend af. Opstal en de ondergrond vormen één bedrijfsmiddel, maar dat betekent niet dat een deel van de in de opstal begrepen stille reserve als gerealiseerd moet worden beschouwd. Die omstandigheid is voor de vennootschappelijke verhoudingen niet van belang.

Deel deze pagina: