Toepassing oude landbouwvrijstelling

Vooruitlopend op de invoering van de Wet IB 2001 is de landbouwvrijstelling op 27 juni 2000 gewijzigd. De oude landbouwvrijstelling was iets ruimer geformuleerd dan de nieuwe. Zo kon bestemmingswijzigingswinst onder de vrijstelling worden gebracht wanneer de grond nog minimaal 72 maanden agrarisch werd gebruikt.

In het kader van een verkoop van landbouwgrond onder de oude regeling bedong de verkoper een nabetalingsrecht voor grond die na de verkoop voor woningbouw zou worden gebruikt. De contante waarde van het nabetalingsrecht bedroeg ruim € 1,5 miljoen. Dit bedrag werd in de loop van de zes volgende boekjaren opgerent tot de nominale waarde van bijna € 2 miljoen. In 2010 wilde de verkoper het nabetalingsrecht afwaarderen ten laste van zijn winst omdat het geen waarde meer had. Een deel van de oprenting van het nabetalingsrecht was aan de winst toegevoegd. Een ander deel was als herinvesteringsreserve aangemerkt en afgeboekt op nieuw aangekochte grond.

De verkoper meende dat iedere verandering in de omvang van het nabetalingsrecht onderdeel van zijn winst was. In die opvatting was afwaardering ook van het oorspronkelijk vrijgestelde bedrag ten laste van de winst mogelijk. Omdat de waarde van het nabetalingsrecht niet was gerelateerd aan de waardeontwikkeling van de grond maar aan een eventuele andere bestemming was de landbouwvrijstelling daarop niet van toepassing. Voor het geval de landbouwvrijstelling wel van toepassing zou zijn, moest het de nieuwe regeling zijn die op 27 juni 2000 in werking is getreden omdat er geen overgangsregeling gold.

De rechtbank was van oordeel dat de contante waarde van het nabetalingsrecht niet ten laste van de winst kon worden afgewaardeerd omdat hierop de landbouwvrijstelling van toepassing was. De oprenting van het nabetalingsrecht mocht wel ten laste van de winst worden afgewaardeerd. Dat gold ook voor het gedeelte waarvoor een herinvesteringsreserve was gevormd.

In hoger beroep oordeelde Hof Arnhem-Leeuwarden dat het nabetalingsrecht onderdeel uitmaakte van de gerealiseerde verkoopopbrengst van de landbouwgrond. Daarop was de oude landbouwvrijstelling van toepassing. De later geconstateerde waardevermindering van het nabetalingsrecht viel daarom ook onder de toepassing van de oude landbouwvrijstelling en kon daarom niet in mindering op de winst worden gebracht. Het gedeelte van de oprenting van het nabetalingsrecht, dat was opgenomen in een herinvesteringsreserve en vervolgens was afgeboekt op de kostprijs van vervangende grond, heeft volgens het hof nooit tot de winst van de verkoper behoord. Afboeking van dit gedeelte van de waardevermindering ten laste van de winst was daarom niet mogelijk.

Deel deze pagina: