Toerekening box 3-vermogen aan (ex-)partners

Een belastingplichtige en zijn fiscale partner kunnen in hun aangiften inkomstenbelasting zelf de verdeling kiezen van hun vermogen in box 3. Maken zij geen keuze, dan gaat de wet uit van de veronderstelling dat ieder van hen 50% van het vermogen in box 3 bezit. Tot het moment waarop de aanslagen inkomstenbelasting van beide partners onherroepelijk vaststaan, kunnen zij hun keuze herzien. Herziening van de gemaakte keuze moet door de partners gezamenlijk verzocht worden.

Nadat een echtpaar in 2006 gescheiden was, deed een van beide voormalige echtgenoten alsnog aangifte van buitenlandse vermogensbestanddelen. Deze vermogensbestanddelen behoorden toe aan de ex-partner. De ex-partner wenste niet mee te werken aan de inkeer. De Belastingdienst legde navorderingsaanslagen op waarin het alsnog aangegeven vermogen volledig werd toegerekend aan de ingekeerde partner. Na bezwaar rekende de Belastingdienst de vermogensbestanddelen aan beide ex-partners voor de helft toe. De vraag was of de ingekeerde partner het recht had om het eerder niet aangegeven vermogen geheel aan zijn ex-partner toe te rekenen omdat de alsnog aangegeven spaartegoeden tot haar privévermogen behoorden.

Voor de oudste jaren gold dat de vermogensverdeling 50/50 was als een bestanddeel niet in de aangifte van een belastingplichtige of zijn partner was opgenomen. Deze bepaling doorkruiste de bepaling die partners volledige keuzevrijheid geeft zolang de aanslagen van een belastingplichtige en zijn partner niet onherroepelijk vaststaan. Voor de latere jaren gold dat de regeling van fictieve toerekening aan iedere partner voor de helft is vervangen door een regeling die meer keuzevrijheid biedt. Wel geldt een toerekening van 50/50 voor het geval waarin de belastingplichtige en zijn partner geen keuze maken. Weliswaar is herziening van de keuze mogelijk, maar alleen op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn partner. Dat verhinderde in deze casus een andere toerekening omdat de (ex-)partner niet meewerkte.

In cassatie kwam de vraag aan de orde of, wanneer op het moment van navorderen van belasting geen sprake meer is van fiscaal partnerschap, iemand kan worden belast voor de inkomsten uit vermogensbestanddelen van zijn (ex-)partner. De Hoge Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Het in de wet opgenomen vermoeden van een gelijke verdeling is bedoeld om te voorkomen dat de inspecteur een juridisch correcte verdeling moet maken in situaties waarin partners niet in staat of bereid zijn zelf een verdeling te maken. Het hanteren door de inspecteur van de wettelijk voorgeschreven toerekening van het buitenlandse vermogen is niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

Deel deze pagina: