Goed koopmansgebruik en waardering pensioenverplichting

Een pensioenverplichting moet actuarieel worden gewaardeerd met toepassing van een rekenrente van ten minste 4% en zonder leeftijdsterugstelling. Een hogere waardering van de verplichting is niet toegestaan. Leeftijdsterugstelling mag alleen worden toegepast om het verschil tussen een oudere sterftetafel en de meest recente te overbruggen.

Een ondernemer moet volgens de Wet IB 2001 de winst bepalen met inachtneming van de beginselen van goed koopmansgebruik. Volgens de Hoge Raad is het voorschrijven van een minimum rekenrente een inbreuk op deze beginselen. De in de markt gebruikelijke rekenrente voor de bepaling van de waarde van pensioenverplichtingen kan immers lager zijn dan 4%. Waardering van de pensioenverplichting uitgaande van 4% rekenrente leidt dan tot een te lage waardering van de verplichting. Dat is een inbreuk op het realiteitsbeginsel en op het voorzichtigheidsbeginsel. Deze beginselen zijn onderdeel van goed koopmansgebruik. Gezien de wetshistorie heeft de wetgever deze consequenties bewust aanvaard. De mogelijkheid dat de wetgever de mate van de afwijking tussen werkelijke en wettelijk voorgeschreven rekenrente niet heeft kunnen voorzien en evenmin de duur waarin deze afwijking zich zou kunnen gaan voordoen, houdt volgens de Hoge Raad niet in dat het wettelijke waarderingsvoorschrift niet mag worden toegepast.

In het geval van overname van een pensioenverplichting tegen een hogere waarde dan volgens de wettelijk voorgeschreven waarderingsmethode moest onmiddellijk na de overname een gedeelte tot de winst worden gerekend. Ook dan is er volgens de Hoge Raad geen reden om van het wettelijke waarderingsvoorschrift af te wijken.

Deel deze pagina: