Aan dga betaalde commissie

Een scheepswerf kwam in 2003 en 2004 de betaling overeen van bedragen aan commissie aan de dga van een BV die opdracht gaf voor de bouw van schepen. De BV was beherend vennoot in commanditaire vennootschappen die enkele schepen exploiteerden. Volgens de overeenkomst zouden de bedragen worden overgemaakt na oplevering van de schepen en betaling door de BV op een door de dga aan te geven bankrekening. De jaarrekening 2003 van de BV vermeldde onder de langlopende schulden een lening van de dga die in 2003 met het bedrag van de overeengekomen commissie was toegenomen. Zowel in 2003 als in 2004 had de dga facturen naar de scheepswerf gestuurd voor de commissiebedragen. De Belastingdienst merkte de commissiebedragen aan als resultaat uit overige werkzaamheid van de dga.

De dga voerde in hoger beroep aan dat hij in 2003 en 2004 geen aanbrengcommissie of een andere beloning heeft ontvangen van de scheepswerf of van enige derde. Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden kan uit de vastgestelde feiten geen andere conclusie worden getrokken dan dat de dga in 2003 een vordering heeft verkregen op de BV ter grootte van het bedrag van de commissie. Daarmee heeft hij een bate gehad ook al is er niets op zijn bankrekening gestort. Niet meer in geschil was dat als er een bate was deze bate moest worden gekwalificeerd als resultaat uit overige werkzaamheden. In 2004 was de commissie betaald aan een 100%-dochtermaatschappij van de BV. De dga had afgezien van een vordering op de dochtermaatschappij en zich daarmee een voordeel laten ontgaan dat in 2004 bij hem moest worden belast.

Deel deze pagina: