Geen BPM bij huur buitenlandse auto

Het Hof van Justitie EU heeft in 2008 geoordeeld dat de Nederlandse heffing van BPM bij gebruik in Nederland van een in het buitenland geregistreerde en gehuurde auto in strijd is met het Europese recht. Het probleem was gelegen in het feit dat het belastingbedrag werd berekend zonder rekening te houden met de duur van de huurovereenkomst of van het gebruik. De Hoge Raad overwoog naar aanleiding van dit arrest van het Hof van Justitie EU dat sprake was van een gebrek in de Wet BPM dat niet kan worden hersteld binnen het stelsel van die wet. Het stelsel van de wet is gebaseerd op heffing van BPM naar rato van de waarde van het voertuig.
Bij export van een motorrijtuig wordt teruggaaf van BPM verleend. Ondanks deze teruggaafregeling vormt de heffing van BPM volgens het Hof van Justitie EU nog steeds een belemmering voor het vrije verkeer van diensten. In reactie op dit arrest uit 2010 kwam de staatssecretaris van Financiën eind 2010 met een goedkeurend besluit. Dat besluit houdt in dat bij gebruik in Nederland van een in het buitenland gehuurde auto gelijk met de aangifte BPM een verzoek om teruggaaf wegens export kan worden ingediend. Alleen het saldo van beide bedragen hoeft te worden betaald.

De Rechtbank Zeeland-West Brabant heeft onlangs geoordeeld dat wetgeving zonder deugdelijke grondslag niet kan worden gerepareerd door een besluit waarin de staatssecretaris bepaalt dat de ondeugdelijke elementen van de wet feitelijk buiten toepassing kunnen blijven. De rechtbank kwam tot deze uitspraak in een casus van iemand die in 2011 voor een periode van drie maanden een in Duitsland geregistreerde auto huurde. De huurder deed aangifte voor de BPM en verzocht gelijk om teruggaaf. Opmerkelijk was dat de huurder meer teruggaaf claimde dan hij meende verschuldigd te zijn. De inspecteur accepteerde de aangifte niet en legde daarom een naheffingsaanslag op. De rechtbank heeft de naheffingsaanslag vernietigd. Dat zou moeten leiden tot teruggaaf van de op aangifte voldane BPM. De huurder verklaarde dat hij geen recht had op teruggaaf van BPM als hij geen BPM verschuldigd zou blijken te zijn.

Deel deze pagina: