Exploitatie sportaccomodaties

Een gemeente was eigenaar van dertien binnensportaccommodaties. De gemeente stelde de accommodaties om niet ter beschikking aan basisscholen en tegen vergoeding aan scholen in het voortgezette onderwijs, sportverenigingen en andere gebruikers. Voor deze activiteiten gold de gemeente als ondernemer voor de omzetbelasting. De Belastingdienst accepteerde voor de sportaccommodaties slechts een gedeelte van de in rekening gebrachte omzetbelasting als aftrekbare voorbelasting. De gemeente wilde echter de volledige voorbelasting in aftrek brengen. De rechtbank stond dat niet toe. Het om niet ter beschikking stellen van de sportaccommodaties aan basisscholen is geen gebruik voor belaste handelingen. De goederen en diensten die voor het om niet ter beschikking stellen van de sportaccommodaties werden gebruikt, behoorden niet tot het bedrijfsvermogen.

In hoger beroep heeft Hof Arnhem-Leeuwarden de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het standpunt van de gemeente dat het ter beschikking stellen van de sportaccommodaties één economische activiteit is, is volgens het hof niet juist. De gemeente had met alle gebruikers afzonderlijke overeenkomsten gesloten op grond waarvan een sportaccommodatie ter beschikking is gesteld. De terbeschikkingstelling om niet aan de basisscholen is een afzonderlijke handeling, die kwalificeert als een niet-economische activiteit.

De kosten die verband hielden met de terbeschikkingstelling om niet waren niet verwerkt in de prijzen die aan de betalende gebruikers in rekening werden gebracht. Het hof stelde vast dat de exploitatie van de sportaccommodaties verliesgevend was. Het geleden verlies werd vanuit de algemene middelen van de gemeente gefinancierd. Alleen de omzetbelasting op de kosten van de terbeschikkingstelling tegen vergoeding kwam voor aftrek in aanmerking.

Deel deze pagina:
Geschreven door